 |
 |
Sluimerend licht
(20 nov 2000)
Voor de meditatie van vanavond wil ik een gedicht van Jan van Nijlen als uitgangspunt nemen, getiteld: "Het Licht".
Ik heb enige tijd geaarzeld óf ik deze tekst wel als uitgangspunt zou nemen, aangezien hij in eerste instantie misschien wat "zwaar" aandoet. Maar omdat ik het gedicht zo mooi vind en omdat het voor mij heel treffend kan dienen als zinnebeeld van waarom meditatie mij trekt, waag ik het er toch maar op.
Misschien moet ik vooraf nog wel even zeggen dat het gedicht (geschreven ergens rond 1909) soms wat archaïsch van taal is. Een voorbeeld: in de eerste strofe wordt het woord "betrachten" gebruikt, in de zin van "schouwen" of "beschouwen".
Misschien dat wij dit woord in het kader van deze stiltemeditatie-avond met een
gerust hart kunnen vervangen door het woord "mediteren".
HET LICHT
Het allerschoonste is het innig zachte
uit't allerdiepste van ons zelf geboren,
en bloeiend als een wonderbloem naar voren
uit de onbewustheid van ons hoog betrachten.
Het allerbeste is't geen wij verloren:
hetgeen de dagen ons aan echte klachten,
aan vreemden weemoed of aan vreugde brachten,
aan innige liedren die wij niet meer horen.
Zo zijt gij mij, o diep aanbeden Licht!
het allerbeste en het allerschoonste;
omdat gij Liefde en Waarheid hebt gebracht
in't mistig duister van mijn eenzaam woonste
waar nog uw klaarheid naleeft in den nacht,
hoewel gij sluimert in uw graf van Licht.
JAN VAN NIJLEN
Ik zag voor mijzelf een drietal aspecten van meditatie verzinnebeeld in dit gedicht. Ik laat die aspecten nu een voor een de revue passeren, inclusief de strofes waaraan ik ze koppel.
Een eerste gedachtengang, die ik zou willen samenvatten als "een bloem laten opbloeien uit je onbewustheid", zie ik verwoord in de eerste strofe van het gedicht:
Het allerschoonste is het innig zachte
uit't allerdiepste van ons zelf geboren,
en bloeiend als een wonderbloem naar voren
uit de onbewustheid van ons hoog betrachten.
Uit deze strofe lees ik twee aan elkaar gekoppelde aspecten van meditatie:
1) De weg van meditatie is niet intellectueel gericht, gaat niet over het krijgen van
bewuste gedachten, ingevingen, gevoelens; het gaat in de woorden van de dichter om
een wonderbloem die opbloeit juist uit onze "onbewustheid".
2) Wàt er gebeurt tijdens de meditatie is door ons niet af te dwingen, niet
controleerbaar. Opnieuw in de woorden van de dichter: het is een "wonderbloem"
die wij "laten" opbloeien.
Meditatie is dus een uitnodiging aan ons om ons open te stellen voor wat zich ook
maar aan wil dienen, zonder dat wij dat proces in banen willen leiden.
Juist dit aspect van voorbij gaan aan het intellect is één van de aspecten van
meditatie die mij aantrekt tot mediteren.
(N.B.: dit betekent overigens niet dat je pas goed zou mediteren wanneer er
geen gedachten zijn: er zullen wel altijd gedachtes blijven opkomen; maar het
verschil met onze normale houding is dat wij - met een aan Zen ontleend beeld - ons
oefenen om ze aan ons voorbij te laten trekken zoals wolken aan een berg)
Een tweede gedachtengang zie ik verwoord in het tweede couplet. Ik zou
deze gedachtengang willen aanduiden met "de innige liederen die wij verloren".
Het allerbeste is't geen wij verloren:
hetgeen de dagen ons aan echte klachten,
aan vreemden weemoed of aan vreugde brachten,
aan innige liedren die wij niet meer horen.
Wat een vreemd gedicht is dit toch - op het eerste oog - dat hierin ook "verlies
van innige liederen" genoemd wordt als één van de allerbeste dingen die ons
kunnen overkomen!
Als de dichter nu gezegd had dat bijv. meevallers of blijdschap het allerbeste
zijn dat ons kan overkomen, dan zouden we dat nog kunnen begrijpen...; maar innige
liederen verliezen ... het allerbeste ... ?
Toch spreekt ook deze strofe mij erg aan, omdat hierin het woord "vreugde" gebruikt wordt.
Dat woord staat er volgens mij nl. niet toevallig. Ik denk dat vreugde iets heel
anders is dan blijdschap om iets wat je verworven hebt of omdat "de zaken voor de
wind gaan". Vreugde gaat volgens mij dieper dan blijdschap, betekent het dat je dankbaar
kunt zijn voor alles wat je maar overkomt, inclusief het negatieve en het
moeilijke.
Dit is heel gewaagd om te stellen, en ik zal zeker niet zeggen dat ik het altijd
- zelfs meestal niet - zo beleef; maar het is wel een intuïtie die mij aantrekt,
richting geeft aan mijn leven. Zó wil ik leven, dat ik kan danken voor het positieve
zowel als voor het negatieve. En ook dat is voor mij een heel belangrijke reden om te
mediteren.
Ik vind deze houding van dankbaarheid heel mooi uitgedrukt in de buiging (in
Zen-termen: gassho) die wij maken als wij deze ruimte binnenkomen: buigen voor alles
wat er tijdens de meditatie door ons heen mag gaan, het moeilijke zowel als het
mooie. Eerbied voor wat is...
Nog een illustratie van deze grondhouding, ontleend aan de klassieke Zentekst "Hsin
Hsin Ming":
Wanneer liefde en haat allebei afwezig zijn
wordt alles helder en onverborgen.
Maak je echter maar het kleinste onderscheid,
dan raken hemel en aarde
onoverbrugbaar uit elkaar.
Een derde gedachtengang - voor mij de meest indrukwekkende - zie ik tot
uitdrukking komen in derde en vierde couplet van Van Nijlen's gedicht. Ik zou deze
gedachtengang willen samenvatten met de uitdrukking "het Licht dat sluimert in zijn
graf van Licht".
Zo zijt gij mij, o diep aanbeden Licht!
het allerbeste en het allerschoonste;
omdat gij Liefde en Waarheid hebt gebracht
in't mistig duister van mijn eenzaam woonste
waar nog uw klaarheid naleeft in den nacht,
hoewel gij sluimert in uw graf van Licht.
De beelden in deze twee stofes doen in eerste instantie - opnieuw - erg negatief
aan: er is sprake van het Licht (N.B.: hoofdletter!) dat begraven ligt in zijn graf
van Licht; er rest de dichter enkel nog een naglans van dat Licht, in zijn
herinnering.
Waarschijnlijk zijn wij allemaal wel vertrouwd met varianten op de ervaring - de
herinnering aan iets moois dat voorbij is - zoals die hier door de dichter verwoord
wordt: de herinnering aan betere tijden, aan plekken waar wij ons thuis voelden maar
die niet meer bestaan, aan diepe ontmoetingen met anderen die nu in het verleden
liggen, aan vaardigheden of gezondheid die wij hadden maar nu niet meer hebben... Al
wat rest lijkt enkel nog de bleke, kale herinnering.
Als wij de derde en vierde strofe vanuit dit perspectief lezen, dan ligt de
nadruk op het woord "graf": dood is dood, voorbij is voorbij. Om somber van te
worden.
Maar er is voor mij één woord in deze strofen aanwezig dat de hele betekenis
ervan radicaal op zijn kop zet, nl. het woord "sluimert".
Dit sluimeren van het Licht is voor mij het kernwoord om aan te duiden waarom ik
dit gedicht zo mooi vind. Wat sluimert kan namelijk ook weer wakker worden, ontwaken!
Jan van Nijlen lijkt met deze uitdrukking er ruimte voor te laten dat het Licht niet
dood is, niet alleen maar voorbij... Hij lijkt te suggereren dat we nog steeds
toegang kunnen krijgen tot dat Licht, dat sluimert op de bodem van onze herinnering.
Is voorbij wel werkelijk voorbij?
Misschien ligt het Licht niet dood in het graf, maar wacht het er alleen
maar op dat wij ons weer voor dat Licht openstellen. Dat is een grondinspiratie voor
meditatie die mij persoonlijk erg aanspreekt.
En zo heb ik het ook meermaals ervaren: dat ik onrustig of ongelukkig naar de
meditatie kwam, en dan tijdens de meditatie onverwacht diepe vrede en vreugde ervoer.
Zou dat een teken van leven zijn van dat sluimerend Licht (zonder dat ik verder
precies weet wat dit is of hoe het werkt)?
Wellicht een mooie inspiratie om mee te gaan mediteren: dat wij ons willen
openstellen voor het Licht dat sluimert in ieder van ons.
|
 |
 |
 |