HenriŽtte Roland Holst
Omhoog Gedichtencirkel O.G. Heldring Niels Thomassen HenriŽtte Roland Holst Literatuur

Gedichten van Henriëtte Roland Holst: een selectie


citaat (zinrijk.nl)
De bergstroom zal aan het einde de zee worden; Tijdelijk stroomt ze onder de gevallen bladeren.
auteur onbekend

Zangretraite in Portugal (meer)
Op een prachtige locatie (Monte na Luz - met zwembad) vlak bij de Middellandse zee, zingen we dat het een lieve lust is. Groepsgrootte: 15 personen. 21 - 27 juni
Deze weken met Jan-Hendrik Veenkamp zijn voor mij het hoogtepunt van het jaar. – Alex Pot

Op deze pagina vind je enige gedichten van mijn favoriete dichteres Henriëtte Roland Holst - van der Schalk (1869-1952). Het betreft een selectie van gedichten uit de bundel "Tusschen tijd en eeuwigheid".

Waarom deze dichteres mij zo aanspreekt, zul je misschien vragen? Wel, omdat ze zulke prachtige natuurbeschrijvingen geeft in haar gedichten, en omdat ze soms op indrukwekkende wijze getuigenis aflegt van haar diep mystieke ervaren van het bestaan. ]:-)

Om deze pagina "af" te maken laat ik heb ik voorafgaand aan de gedichten een korte biografie van de dichteres geplaatst. Veel plezier bij het lezen!

 

 

Vorige Omhoog Volgende

Een korte biografie van de dichteres

  • Deze biografie is ontleend aan: Dr. H.A.C. Spruyt e.a., Litteratuur geschiedenis van West-Europa, Zwolle 19576, pag.216-7 (wie wil kan op de encyclopedie-site Wikipedia.org nog nadere informatie over HRH vinden).

Henriëtte Roland Holst-van der Schalk (1869-1952) begon met een bundel individualistisch gekleurde verzen, Sonnetten en Verzen in terzinen geschreven (1895), waarmee ze zich op slag een plaats in onze letterkunde veroverde. Haar a-sociale levenshouding bevredigde haar echter niet en zij sloot zich aan bij de sociaal-democratische beweging. Van haar liefde voor haar idealen, haar strijd voor het recht, haar verlangen naar broederschap vertelt al haar verdere werk. Van een schone zekerheid spreken haar verzen in het begin, een glanzend vertrouwen in een nabije betere toekomst. Die blijde zekerheid ging verloren door de twist en tweedracht in de partij zelf, en doordat zowel de wantoestanden in de kapitalistische maatschappij als de eigenschappen der mensen de ideale toekomststaat terugdringen. En zo wendde ze zich tijdelijk af van de strijd om tot zichzelf in te keren, en tot klaarheid te komen. Met een herwonnen geloof in een betere toekomst begon ze daarna de strijd opnieuw.
       Haar eerste socialistische bundel was
De Nieuwe Geboort (1903). Ontroerend is hierin de strijd, die in de nog jonge dichteres gestreden werd tussen eigen, individueel geluk en de overgave aan de gemeenschap, twee dingen die nog niet konden samengaan.
       Haar sympathie voor het communisme vinden we o.a. in
Het Feest der Gedachtenis (1915). Met de jaren werd echter de geestdriftige strijdbaarheid minder. Er kwam een inniger toon in haar gedichten, de oproep tot bezinning en naastenliefde ging steeds meer domineren, er kwam een religieus element in haar verzen, dat steeds sterker werd, o.a. in de bundels Verworvenheden, Vernieuwingen en Tusschen Tijd en Eeuwigheid (1934). Uit deze laatste verzen spreekt een groot verlangen naar rust, weg van de maatschappij en haar strijd.
       Ook in haar lyrische drama's in verzen heeft Henriëtte Roland Holst de strijd uitgebeeld tegen de misstanden van het kapitalisme.
       Haar woordgebruik en uitdrukkingswijze kunnen buitengewoon slordig en onhandig zijn, haar verzen zijn heel vaak knarsend en rammelend, maar zelfs dan boeien ze door de grootheid van de geest die eruit spreekt. Doch vaak ook treffen haar gedichten door de prachtige gedragenheid of het melodieuze van hun klank.
       Als essayiste is Henriëtte Roland Holst van belang om haar opstellen over esthetische en ethische onderwerpen (
Over Leven en Schoonheid). Ook schreef zij een reeks studiën over Rousseau, Garibaldi (De Held en de Schare) en anderen.

Tusschen tijd en eeuwigheid

Rotterdam 1934

Uit het innerlijk rijk

VIII

We leven flauw, als w' in onze omtrek leven 
AP: Dit gedicht is verplaatst; klik op de link om het te bekijken.

XI

Begeerlijkheid,'t willen proeve' alle dingen,
dat is nu een van de erge gevaren:
de machtigste onder de belemmeringen,
die versperren den weg naar 't leven, 't ware.

Een gulp van den kostbaren levenswijn
zwelgen we haastig en verstrooid naar binnen
en weer een, en weer een: 't hart en de zinnen
blijve' even dorstig, als waar 't drinken schijn.

We moeten leeren, verlokking weerstaan,
en wat zich ons opdringt, leere' af te weren:
hoe luid het schreeuwt, wij nemen het niet aan.
Wij moeten ons tot d'oude wijsheid keeren:
van haar, hoe door het àl te vele, leeren
met evenwichtig hart te gaan.

XIV

Leer stil zijn en leer niets doen en leer wachten:
't geheim der sterken school altijd daarin,
dat zij zich instelden op lange drachte' en
intoomden d' ongestuime dadenzin.

Niet 't wachten der praatgragen zij het onze,
die, sprekend aldoor over wat zal zijn,
intusschen inslurpen als grage sponzen,
met lijf en ziel den heeten levenswijn,

maar 't dadenrijke wachten van wie maken
wachtend, zichzelven èn het levensveld
anders, wie niet uitstellen het ontwaken
tot een bazuinroep door de heuvlen zwelt.

Zij voor wie alle dage' en alle uren
de eeuwigheid breekt door den tijd
en die houden aldóór bij de kampvuren
zwijgende wacht, te gaan bereid.

XV

Gij dan, vul uw hart uit het stille bekken
der eenzaamheid, met vastheid, liefde en rust
en keer niet terug naar de menschen-kust
eer deze krachten u geheel doortrekken
en hun werken in u, u werd bewust.

Keer niet, eer ge van u zelf kunt geven
en blijven even rijk, hoeveel g' ook geeft.
Daden zijn golven, die opkome' en even
staan, dan terugzinke' in het leven,
maar gij zijt hij, die achter daden lééft.

Gij zijt de grond, waarin ruste' al uw daden:
de zee, waaruit hun golfslag komt gerezen:
het knooppunt, waar hun veelkleurige draden
in saamkomen. Ze zijn om u een wade,
zich plooiend naar den grondvorm van uw wezen.

Rondgang door het jaar

II

Het schoonste, wat ik weet in de natuur,
dat zijn de wolken, als zij het licht drage' in
hun flanken en zich in de lichtzee wagen,
onbekommerde zeilers zilverpuur.

Hun edele vormen, die nooit verstarren,
maar altijd weer in andere verglijden,
hun stoeten, die zich warren en ontwarren,
als menschlijk gebeure' in bewogen tijden,

zij maken de ziel blij met hun genade.
Hun diepe grotte' en stoute steigeringen,
beelden zuiverder dan alle andre dingen
het rijk der ziel, de moeder van de daden.

IV

De herfst talmt nog tusschen de blauwe lande' en
buigt over ze met zegenenden groet,
als warmte hangt lang over avondstranden
of vreugde nazingt in een klaar gemoed.

Zijn heldre, toch gedempte zegeningen,
doordrenken het hart met zóó zoete kracht,
dat het de last der allerzwaarste dingen
voelt slinken tot veerlichte vracht.

De ziel, bevrijd van angsten, rekt haar leden:
zij ademt lichter, immers zij vertrouwt:
zij buigt zich heen over haar eigen vrede
als naar een hemel, die inwendig blauwt.

VIII

Hoe vredig is het sterve in de natuur.
Het blad valt af, roest op de stille aarde,
vergaat en krijgt in 't vergaan nieuwe waarde:
elk wezen weet zijn tijd en beidt zijn uur.

En altoos is, tussen den tijd van sterven
en het opkomen van een nieuw geslacht,
een verbeiding, iets als een stille wacht
op de anders zo drukke en volle werven.

Dit geeft een rustige bezonkenheid
aan 't leven der natuur in deze streken:
stilte omhangt wat is bezweke' en
een nieuw geslacht wordt stil verbeid.

Maar in de mensenwereld krielen
dooreen, dat wat opkomt en dat wat vergaat.
Vreeslijk is dit: stank van ontbinding staat
zwaar rondom jonge, argeloze zielen.

In een kerkhof van uitgeleefde vormen,
tussen de zerken van misdaad en schuld,
in 't hels geraas, dat alle poriën vult,
moet jeugd opbouwen hare nieuwe normen.

XII

Te lopen in het jonge lentelicht 
AP: Dit gedicht is verplaatst; klik op de link om het te bekijken.

Van tijd naar eeuwigheid

I
VERLANGENS 1

Van 't parlemoer de allereerste tinten,
en die van schelpe' en bloemen kiest de dag,
om zich nu mee te tooien en 't begin te
vieren van het seizoen van zang en lach.

En ook het hart bindt nu zijn lichte en blijde
belevingen tot een ruiker bijeen:
't leert weer op vreugdevolle maten rijden,
't rijdt op hen over zorg en twijfel heen.

De weergeboorte en het groot herleven
van nature stort door ons uit haar kracht:
wij zijn haar kindren nog gebleve' al
zwierf van haar weg dit hoogmoedig geslacht.

IX

Ik dank u voor de Waarheid, - voor den drang
naar haar, die werkte in mij, mijn leven lang,
waar zwakheid tegen in verzet kwam, keer
op keer, maar die 't hart altijd moest zijn heer
erkenne' in 't end, hòe lang het somtijds vocht
tegen d' erkenning. Dank, dat rust noch duur
dat hart vond in den leugen, maar haar puur
en louter oog altijd 't ontmoeten zocht.
O dank, dat ge háár zond, uw ademtocht,
tot mij, m'iets openbarend in den tijd,
die g'alle Liefde, Schoonheid, Waarheid zijt
in eeuwigheid.

Dit alles schonkt ge mij. Wèl was het veel,
maar één verlangen zwelt nog naar mijn keel.
Voor alles dank ik u, wat ge me schonkt,
voor al de malen, dat ge mij toewonkt
in een gedachte, een glimlach, een lied.
Uw straling schonkt ge me, uw kern nog niet.
Eén gave onthield ge mij nog en ik derf
z'al nooder. Daarom vraag ik: eer ik sterf
geef me, al mocht het ook slechts éénmaal zijn,
mij te zonne' in den glans van uw aanschijn.
Doorscheur't gezicht eener alomme Tegenwoordigheid,
éénmaal voor mij 't weefsel van ruimte en tijd.

Maar zoo 'k dit beleven niet waardig ben,
laat dan aan d'overzij der diepe wateren,
mijn wezen, als een pijl gericht,
toevliegen recht op uw Onmeetlijk Licht.

 

 

Deze pagina werd voor het laatst ververst op: dinsdag 6 juli 2004.

 

Vorige Omhoog Volgende