1.
Cultuur behoeft een heiligheid: dat wat in ieder geval - ofwel, absoluut,
onbetwijfelbaar - zowel wáár als van waarde is. Het heilige is wat niets buiten
zichzelf nodig heeft om te bestaan maar integendeel de voorwaarde is tot het bestaan
van al het andere. Aldus grondt het heilige de wereld en verschaft aan het leven een
middelpunt: dat waar het allemaal om draait.
Thans lijkt de westerse cultuur zich van geen heiligheid meer
zeker. Al aan het eind van de vorige eeuw riep Nietzsche: "God is dood, de horizon
uitgewist"; maar, voegt hij er aan toe, "het is nog niet tot de oren der mensen
doorgedrongen." Honderd jaar later lijkt dat voor velen wel het geval.
In respons tekenen zich drie posities af. Ten eerste zijn
daar de fundamentalisten, die - desnoods met alle geweld - een in dubbele zin
vergaande heiligheid in volle glorie willen herstellen. Voorts, de New Age-adepten
die zich wenden tot nieuwe heiligheden uit een ver verleden of veraf gelegen oorden.
Tenslotte is er het postmodernisme dat zich geen nieuwe heiligheid meer durft voor te
stellen; enerzijds vanwege de dramatische gevolgen van de politieke pogingen daartoe
(communisme en fascisme: de staat danwel het volk als heilig), anderzijds uit besef
van wat Heidegger al moest konstateren: een nieuw heiligdom laat zich niet bedenken
maar kan zich alleen van zichzelf uit openbaren.
Nu wil ik U uitnodigen uw oog eens te laten rusten op een werkelijkheid die in
geen enkel opzicht lijkt op hoe een 2500 jarige traditie zich werkelijkheid
voorstelt, en die er dus al evenzolang op wacht als werkelijkheid sui generis
te worden erkend. Anders dan een boom of muur heeft het bijvoorbeeld vorm noch
substantie, het is niet iets waarnaar je kunt wijzen en dat je kunt benaderen en
betasten en onderzoeken. Het is ook niet eenduidig maar kent ontelbaar veel gestalten
en is voortdurend in beweging en altijd overal aanwezig, je kunt het niet
ontvluchten. Zo lijkt het wel een beetje op God maar dat is het niet - of we zouden
er hetzelfde onder moeten verstaan. Ik noem het: Dit.
Wat is Dit? Kijk rond en niet verder! Ga er niet naar
op zoek want dan kijk je er al doorheen; haal je niets in het hoofd want dat voegt
alleen maar toe. Dit is nu gaande werkelijkheid, waarbinnen ik nu schrijf en U
nu leest en wij allebei ieder voor zich ademen.
Niet 'iets ergens', geen algemeen ding of idee ofwel: Dit
is geen Het. Het is alles dat zich laat grijpen of begrijpen: boom en steen, idee en
begrip. Als een doorlopend open podium biedt Dit de ruimte aan talloze Hetten, maar
Dit kan er zelf nooit tussen gaan staan. Dit laat zich grijpen noch begrijpen, want
Dit is de werkelijkheid zelve waarbinnen werkelijkheden pas gegrepen en begrepen
kunnen worden. Dit laat zich niet nader benoemen omdat het benoemde, de benoemer en
benoeming er onmiddellijk deel en uitdrukking van zijn. Dit gebeurt:
onverschillig of en wie er wat dan ook van denkt of zegt.
Wie zou nu willen betwijfelen dat Dit in ieder geval waar en
van waarde is? Ofwel: openbaart zich hierin niet het heilige?
Wat zou er gebeuren indien we met Bob Dylan gingen zeggen:
"this aint a dream no more: it's the real thing". Dit ís Het!
2.
Het gaat om slechts een heel kleine stap: een kleine bijstelling van de lens
waardoor je de wereld en jezelf daarin ziet. Een focus op het direct gaande, dit hier
nu, in plaats van op iets ergens, daar en dan. Toch klinkt het ook wel erg kaal -
alsof er dan bijna niets meer overblijft - en ook precair: is het niet een recept
voor cognitieve chaos, morele anarchie, een spirituele inzinking?
Voor het denken is dit zeker een revolutie zonder weerga.
Sinds het oude Griekenland immers vertrekt het denken vanuit de voorstelling van
werkelijkheid als één groot Het, barstensvol kleinere Hetten - en dan voorts de
strijd der ideëen, soms tot bloedvergieten toe, om wat Het is en hoe steekt Het in
elkaar en hoe hebben mensen zich daar dus toe te verhouden.
De Logos en de Ideëen, God en de ziel, de Cogito en de
materie; of anders een hoger zelf, vorige levens, diepere energie-niveau's... Zelfs
Heidegger, nadat hij heeft gekonstateerd dat het denken sinds Plato en Aristoteles
alleen nog maar met 'de zijnden' in de weer is geweest, stelt vervolgens de vraag
naar... 'het Zijn'.
Altijd maar iets ergens anders. 25 eeuwen lang wordt Dit op
grandioze wijze miskend, veracht, vergeten.
Want Dit is ding noch idee, per persoon uniek en voortdurend
aan verandering onderhevig - hier valt niet mee te rekenen en telt dus niet mee. Toch
is het besef van eigen eindigheid nog geen reden naar een andere werkelijkheid op
zoek te gaan: daartoe zal men er éérst van overtuigd moeten zijn dat die andere
werkelijkheid 'iets' is dat zich laat zoeken (een Het), en dat het vinden ervan
rijkelijk zal worden beloond. En wel met Inzicht in wat alles is en in hoe het leven
individueel en collektief moet worden ingericht om tot volmaaktheid te geraken. Dat
inzicht is waar het sinds den beginne om draait, als de sleutel tot bestaan: om de
ethiek te funderen, de esthetiek te inspireren, en de politiek te legitimeren.
Nog vóórdat het denken zijn koers heeft gekozen heeft het
van de werkelijkheid dus al heel wat gemáákt. Precies hier doet geloof zijn
intrede; maar een geloof, van zo weinig propositioneel gehalte, zo elementair, dat
het eerder het karakter heeft van een gebaar. Een stichtend gebaar, dat
hier wat van maakt door tegelijkertijd te stellen: werkelijkheid is 'iets ergens
daar', en te waarderen: het gaat ook óm dat 'iets ergens daar'.
In dit gebaar zijn religie, filosofie en wetenschap eender.
Hoe hun wegen verder ook uiteen moge lopen om ieder voor zich in allerhande twist en
strijd uiteen te rafelen, het vertrekpunt is dezelfde: dát er vertrokken wordt.
Nu echter religie, filosofie en wetenschap het er na zoveel
jaren nog steeds niet over eens zijn wat Het is: dan ligt het toch voor de hand al
dat zoeken en strijden eens te staken? Tijd voor een pas op de plaats; en nu eerst
gewoon eens kijken naar wat ons zomaar aan werkelijkheid wordt gegeven.
Dit blijkt echter gemakkelijker gezegd dan gedaan. Sinds zo'n
honderd jaar wordt er geroepen om een pas op de plaats. Vanaf Nietzsche, Husserl en
Heidegger tot en met Rorty, Lyotard en Levinas is de diskwalificerende beweging van
het denken en het geweld van de daaruit voortvloeiende strijd der ideëen hét
kritisch thema van de 20ste eeuw. Alles op een stapel levert dat uitgebreide kritiek
op de traditie op, plus een paar prachtige plaatjes van het alledaagse: Heidegger
over het dasein, Sartre over het pour-soi, Levinas over het gescheiden zijnde; maar
waar niemand zich goed raad mee weet is het gegeven dat men zelf, onderwijl, dezelfde
beweging herhaalt en de daaruit voortvloeiende diskussie blijft voeren. Dit mondt uit
in een besef van échec, zo treffend benoemd in de term post-modernisme: afscheid van
het oude, zonder nieuwe grond onder de voeten.
Het dilemma is even eenvoudig als ingrijpend: de
diskwalificerende beweging zit'm in de talige toewending zelf. Taal kan alleen maar
'iets' benoemen, zoals het denken alleen maar 'iets' kan denken. Er een naam
aan geven betekent er iets van maken, dan ben je al vertrokken, dat is geen pas op de
plaats.
Wittgenstein: "Een beeld hield ons gevangen. En we konden
er niet uit, want het lag in onze taal, en het leek of die het alleen maar
onverbiddelijk voor ons herhaalde".
Hoe de werkelijkheid zelve ter sprake te brengen, zonder dit
te maken tot wat het juist niet is? "Het denken doet dat wat het aanraakt
onmiddellijk bewegen": Foucault's echo op Nietzsche: "Elk begrip ontstaat door
het gelijkschakelen van het niet-gelijke." Om het onuitsprekelijke trouw te blijven
kan men eigenlijk alleen maar zwijgen. Dat doen dus ook de postmoderne meneren uit
Frankrijk - behalve dan Levinas, die trekt er wel op uit en krijgt daarover door
Derrida ook de les gelezen: "Misschien is het tot dit
ondenkbare-onmogelijke-onzegbare dat Levinas ons roept, voorbij het Zijn en de Logos
van de traditie. Maar deze oproep moet zich noch kunnen laten denken noch zeggen."
Et voilá: daarom acht ik Dit een hele vondst. Dit is
het enige begrip dat verwijst zonder naar 'iets' te verwijzen. Dit begint en
eindigt in zichzelf: een volledig transparant begrip. Dit is minimale taal; eigenlijk
een taalkundig truukje: een linguistisch equivalent voor de aardewaarts wijzende
wijsvinger. Inderdaad is ook Dit een stichtend gebaar: tegengesteld aan het vertrek,
een gebaar van beaming. Een sprakeloze erkenning van het onuitspreekbare. Een
gat in de wand van Wittgenstein's vliegenglas.
Wat gebeurt er wanneer je daar doorheen stapt?
3.
"Vallen wij niet aan één stuk door? Ademt ons niet de ledige ruimte in het
gezicht?" (Nietzsche) Even wennen zal het misschien wel zijn, maar wees niet
bevreesd: je komt weldra weer terecht precies daar waar je bent, en "dan krijgen
wij het heerlijke gevoel van uit een nauw en afgesloten verblijf te zijn ontkomen, en
opnieuw naar buiten te treden onder de sterrenkoepel van de waarachtige wereld, die
diep, ontzaglijk en onberekenbaar is, waarin de bronnen des levens onuitputtelijk
zijn en geen ding onmogelijk, het beste zomin als het slechtste" - aldus de
onvolprezen José Ortega Y Gasset..
De waarachtige wereld, "the real thing": hoe ziet Dit eruit, hoe voelt het aan
om hierbinnen te leven, en wat en hoe geeft dit te doen?
Allereerst moet echter de vraag worden gesteld, hoe het
niettemin mogelijk is in algemene termen te denken en te spreken over Dit? Dit is
immers slechts ik die hier nu zit op een stoel aan een bureau, vingers tikkend op het
toetsenbord, ogen gericht op het scherm terwijl er links een brommer door de straat
passeert en rechts roepen en rennen de kinderen op het schoolplein. Dit is uniek,
gaande, niet nader denkbaar; doch wel, evident, nader omschrijfbaar, door ieder voor
zich. Dit is echter weer een omschrijving van een algemeen kenmerk. Hoewel Dit dus
altijd in particulariteit gestalte vindt, is het tegelijkertijd een universele
werkelijkheid: niet als algemeen ding of idee, maar als een gemeenschappelijke situatie,
waarin eenieder zich op eigen wijze bevindt. Juist in dat ieder in z'n eigen bootje
zit, zitten we met z'n allen in dezelfde boot. Dit is wat mensen in staat stelt
zich in elkander in te leven.
In deze situatie zit ik nu hier op deze stoel aan dit bureau.
Dit is ding noch idee, heeft vorm noch substantie, maar is veeleer als een soort
verlichte ruimte waarbinnen oneindig veel dingen en ideeën zich voordoen, waaronder
deze stoel, dit bureau, enzovoort. En nu kan ik wel opstaan om stoel en bureau de rug
toe te keren, waarmee ik ze effektief uit Dit verban - maar dan sta ik op een vloer
tegenover een deur. En dan kan ik wel deze kamer verlaten, en zelfs dit huis te
verlaten, en kan ik voorts gaan rennen, zo hard en zo ver als maar kan: nooit en te
nimmer zal ik aan de wereld ontsnappen. Ik kan mij dus wel los maken en aldus
onderscheiden van individuele dingen: maar nooit en te nimmer van het samenstel der
dingen dat de wereld heet. Vanaf het moment van mijn conceptie tot het moment van
mijn sterven ben ik in en van de wereld. Ik ben niet anders voorstelbaar.
De wereld en ik bestaan ook niet passief náást elkaar, maar
in een situatie van voortdurende interactie en wederzijdse doordringing. Op
fysiologisch niveau tastbaar evident: ademhaling, voedsel, uitscheiding; maar ook via
al mijn zintuigen stroomt de wereld voortdurend bij mij naarbinnen, en voortdurend
stroom ik de wereld in, in alles dat ik doe. Ik kan geen stap verzetten anders dan in
de wereld. De wereld is waarin en waaraan ik mijn leven beleef: het biedt mij de
ruimte en levert mij alle middelen en materialen. Ik zou mezelf niet eens kunnen
omschrijven zonder de taal die de wereld mij heeft gegeven en waarmee de wereld mij
verstaat. Dit is, kortom, een situatie waarin ik en de wereld aanwezig zijn als een
dynamische, wederzijds doordringende twee-eenheid; als volgt te symboliseren:
ik ----
---- wereld
Dit symbool geeft ook goed aan hoe Dit nooit, voor geen moment, stil staat.
Wederom, fysiologisch evident: ademhaling, hartslag; maar afgezien daarvan, zodra ik
's ochtends wakker word gaan mijn ogen open, gaat mijn hand door de ruimte richting
wekker, en dan is het opstaan en aan de slag. Dit is als een doorlopend veld van
handeling, is iets dat ik voortdurend dóe: al is het maar dat ik me strek op de bank
om een kwartiertje te dromen.
En met alles dat ik doe - inclusief denken en spreken -
gebeurt er iets: dan is dit niet meer precies zoals dit zoëven nog was. Ik kan geen
stap verzetten zonder hier iets van te máken: nu zit ik te typen, zonet keek ik even
naar het tennis op de TV. Kijk ik naar links, dan zie ik een muur, naar rechts, het
schoolplein. Dit is met andere woorden de plasticiteit zelve; waarbij het echter niet
alleen ik is die hier iets van maak. Dit is en wordt ook op gigantische wijze door de
wereld gemaakt - noem het, 'het lot'. Zo heb ik niet gemaakt dat ik geboren ben
uit mijn ouders en hier nu leef, als deze persoon met deze naam in deze wereld van
Utrecht, eind 20ste eeuw; en wie weet kom ik morgen onder een auto en zit ik de rest
van mijn leven in een rolstoel. Dit speelt zich af in de palm van onmacht en
onbegrip. Dit is mij overkomen, Dit blijft mij overkomen, en ik heb geen idee hoe of
waartoe.
Dit is aldus een paradoxale vermenging van enerzijds, alles
zelf in de hand hebben, en anderzijds, helemaal niets in de hand hebben; van
enerzijds, verkeren in transparantie, en tegelijkertijd, in volslagen duisternis.
4.
Het ontologisch paradigma geboden door Dit ziet er dus heel anders uit dan hoe de
traditie het wil: in plaats van dualistisch, gesloten, statisch en wetend is Dit
holistisch, open, dynamisch en onwetend.
Nu ontbreekt er in de beschrijving van mijn zitten hier aan
dit bureau natuurlijk één belangrijk gegeven, namelijk, dat ik hier ook vanuit
bepaalde motieven schrijf. Ik wil hier spreken van Dit: en wel vanuit en vanwege mijn
beleving van wat het is om hier nu mens te zijn. Hoewel deze beleving, als het goed
is, U tussen de regels door al heeft beroerd, zal ik nu rechtstreeks beschrijven hoe
ik Dit beleef.
Dat is, ten eerste: in deemoed. Deemoed is mijn gevoel
te leven in de palm van onmacht en onbegrip. Deemoed ten opzichte van het lot dat mij
dit leven heeft toebedeeld: als westerling en academicus, in plaats van als
straatarme vluchteling of als soldaat in een oorlog - om maar wat te noemen. Deemoed,
ten opzichte van alles dat mij zomaar overkomt; en deemoed, ten opzichte van alles
dat er nog méér gebeurt. Dat is zó veel, dat gaat het verstand te boven. Ik zit
hier nu terwijl de buurvrouw hiernaast loopt te kletteren met de schalen in de
keuken, en ik kijk naarbuiten en zie mensen bezig in de volkstuintjes naast het
schoolplein, het geheel omringd door huizen met daarachter straten en nog meer huizen
en daarachter heel de stad Utrecht, al die winkels en café's en al die mensen,
oneindig veel mensen, ieder een wereld op zich.
En natuurlijk ook die tuintjes daarbuiten, al die bomen en
planten en al die insekten onder, op en boven de grond; en mijn eigen lichaam, het
ademen, de bloedsomloop, het zenuwstelsel - het oerwoud dat zich afspeelt op een
centimeter huid! Bovendien weet ik wel wat van de historie van het heelal, van het
leven en van de menselijke soort, en heb dus ook enig besef van de dimensies
waarbinnen Dit zich afspeelt. En het is allemaal echt gebeurd en is allemaal echt
gebeurende! Dit is geen droom! Dit is zo een gigantisch groot gebeuren - hier stoppen
mijn woorden en beleef ik deemoed.
En tegelijkertijd: trots. Want ik bén dit. Ik ben
immers geen bezoeker van buiten die even komt kijken: ik ben hier geheel en al deel
en uitdrukking van. Ik behoor tot de aarde, tot de kosmos: heel deze gigantische
draaiende rollende kaleidoscoop is mijn zijn, en mijn zien. Dit is mijn trots: ten
opzichte van alles en iedereen die meent mij te kunnen vertellen wat ik eigenlijk ben
en hoe ik behoor te leven. Niemand zal menen mij te bevatten. Niemand pakt dit van
mij af.
Maar als ik het me niet wil laten vertellen - dan zal ik het
allemaal zelf moeten doen. Wil ik aan mezelf kunnen antwoorden in wat en hoe ik denk
en doe, dan zal ik zelf verantwoordelijk moeten willen zijn. Daarom beleef ik dit,
ten derde, in ernst. Dit is wat gebeurt en alleen ik die kan proberen daar
invloed op uit te oefenen: niemand en niets om op te wachten. En wat doe ik dan, en
waartoe? Wat wil ik dan?
Ik kan weinig anders zeggen dan: méér. Als Dit het is dan
wil ik het zo ruim en diep en intens als maar kan. Dan wil ik me hier zo volledig
mogelijk in uitleven, eruit halen wat erin zit. Met lust wil ik Dit beamen, omarmen:
eerlijk gezegd wil ik hier zoveel mogelijk van zien te houden.
Hebben mensen ooit anders gewild en gedaan? Hoe mensen zich
sinds hun verschijning uitleven in verhalen en rituelen, in kunst en sport en spel,
erotiek en liefde en helaas ook in oorlog - dat is fabelachtig. Dit geldt echter niet
alleen voor 'wij mensen': het is dit waarvan wij zelf schepping en uitdrukking
zijn dat sinds den beginne méér wil! Zie hoe het leven zichzelf sinds het begin in
allerhande vorm en kleur en gedrag heeft vermeerderd! Dit is als één immense dans,
fontijn, om met Bataille te spreken: verspilling.
Zodoende staat mijn leven, tenslotte, in het teken van lichtheid.
Ik ken en ben slechts Dit, en wil me hier zo volledig mogelijk in uitleven. Dit is
een opgave die ik als avontuur tracht te leven, en als het afgelopen is hoop ik te
kunnen zeggen dat ik ervan heb gehouden.
De paren trots en deemoed, lichtheid en ernst hebben zich in
mijn verbeelding vastgezet in de vorm van een kruis; en op dit kruis heeft zich
voorts de geest van een schip gevestigd, zo van: de deemoed als de kiel, dat is het
weten van de diepte, de stabiliteit; de trots als de mast, de grote windvanger; de
ernst, achterin aan het roer en als het moet, met de zweep in de hand; en dan de punt
van het schip, deinend op en neer en immer gretig vooruit en omhoog en verder, almaar
verder: de lichtheid.
5.
Als Dit alles is, en ik wil hier zoveel mogelijk van zien te houden; wat en hoe
doe ik dan?
Welnu, er zijn dingen die ik doe, sowieso: eten, slapen, enz.
Er zijn dingen die ik doe omdat ik wel moet: werken, boodschappen doen, enz. En er
zijn dingen die ik doe, omdat ik ervan hou ze te doen. Zo hoef ik geen boter en jam
op m'n brood, maar ik vind dat wel zo lekker. Dit is de meest simpele manier om
hier iets méér van te maken: er gewoon iets aan toe voegen. Boterham met jam,
avondje naar de film, koop eens een nieuw overhemd... Allemaal dingen om van te
houden - met minimale inspanning mijnerzijds. Dit zou je een kwantitatieve
vorm van vermeerdering kunnen noemen: en hiertoe biedt de huidige wereld een
duizelingwekkend aantal mogelijkheden.
Maar die boterham is binnen een halve minuut op, dat avondje
film na enkele uren voorbij, en ook dat overhemd zal me gaan vervelen nog voordat het
slijt. Dus zoek ik ook te houden van dingen die boven het moment of de dag zelf
uitstijgen. Dingen waar ik mij blijvend aan kan geven en me in kan verdiepen, in kan
groeien. Bijvoorbeeld een kunstvorm, een sport, een beroep, een wetenschappelijke
interesse... Dit zijn niet zozeer dingen als wel bezigheden die potentieel een heel
leven vormen en van mij een aanhoudende inspanning vergen. Ik moet me er aan geven;
en zo wordt het mogelijk beleving te cultiveren.
Net als in de akkerbouw betekent dit een proces van beperking
omwille van een vermeerdering. De onderwerping schuilt hier in de blijvende
verbinding en aanhoudende inspanning. Tegen alle twijfel en luiheid en de spontane
ingeving in verplicht ik mij ertoe me stelselmatig met iets bezig te houden. Noem
dit, een kwalitatieve manier van vermeerdering; en dit vergt zelfdiscipline,
toewijding, geloof. Je moet erin geloven om je eraan te kunnen geven.
En naarmate ik me geef aan het gitaarspel zal mijn
vaardigheid groeien en zullen steeds meer soorten en stukken muziek voor mij
toegankelijk worden; hoe meer ik er dan bij heb om me te vermaken als ik me verveel,
om me te troosten wanneer ik verdrietig ben, om me af te reageren als ik boos ben;
en, zou ik dat willen: hoe meer ik muzikaal in het openbaar zou kunnen treden, hoe
meer spannende avondjes, hoe meer mensen ik zou kunnen ontmoeten, kortom: hoe
interessanter, rijker, dieper, mijn beleving van muziek en van mijn leven. Dat is de
vermeerdering.
Ook wat dit betreft biedt de wereld tal van bezigheden om een
levenlang van te houden; maar om eruit te halen wat er in zit, moet ik mezelf er
evenredig in investeren. "Alle tijd die je aan je roos besteed hebt, maakt je roos
juist zo belangrijk": volgens de vos in St. Exupery's 'De Kleine Prins', "een
waarheid die mensen zijn vergeten." De vos zegt de kleine prins ook dat het beter
is om elke dag op dezelfde tijd langs te komen: "Als je bijvoorbeeld om vier uur
's middags komt, begin ik om drie uur al gelukkig te worden. Hoe later het wordt,
des te gelukkiger voel ik me. En om vier uur word ik al onrustig; zo zal ik de waarde
van het geluk leren kennen! Maar als je op een willekeurige tijd komt, dan weet ik
nooit hoe laat ik mijn hart klaar moet maken...". Ook de beleving van tijdstippen
op een dag, momenten in een jaar, evenementen in een leven, kan worden gecultiveerd.
Zo worden wij thuis rond vijf uur onrustig: tijd voor thee!
Kwalitatieve vermeerdering van Dit is echter ook mogelijk, juist door niet iets
toe te voegen, maar door aandacht te hebben voor wat er van zichzelf uit al is. De
lente breekt weer aan, de krokussen voegen zich toe aan de wereld en ook aan mij,
mits ik er bij stil sta. De wereld biedt vanuit zichzelf zo'n rijkdom aan genot,
verwondering, ontzag: belevingen die zich aan mij op kunnen dringen, maar die
eveneens kunnen worden gecultiveerd. En wel door te leren tot rust te komen: op
gezette tijden, en over het algemeen. Wat dit betreft nodigt Dit uit tot langzaam
leven. Dit is het, niet iets ergens anders dat nodig moet worden bereikt: ontspan je,
kijk rond. Ook zo kan het leven worden verruimd en verdiept.
En wie dat wil kan zich volledig, dagenlang, een levenlang
wijden aan de verstilling omwille van wat de wereld zelf wil zeggen - maar om nu te
gaan zeggen dat dit eigenlijk en uiteindelijk de bestemming is van ieder mens op
aarde? "Eenieder voor elkander oneindig vreemd, oneindig vrij": Levinas.
Enige oefening in ontspanning is echter wel de moeite waard.
Het kweekt gevoel voor de diepte: dat is de kiel. Dat geeft rust, en je wordt er
zachter van. Dit doet goed beseffen dat ik niet het enige ben dat bestaat en dat ik
mezelf gemaakt noch bedacht heb: dat ik al een uitdrukking ben, nog voordat ik aan
mezelf uitdrukking geef.
Zodoende appeleert het leven voor en vanuit Dit aan
zachtmoedigheid. De wereld is geen ding ergens daar dat mij in de eerste plaats
belaagt en wilt vernietigen, maar is mijn allereerste vriend en partner in bestaan.
Het biedt mij de lucht die ik adem, de ruimte om me uit te leven, en alle mensen en
dieren en planten om mee samen te leven. Ik zie verder geen reden tot kwaad. Hoe
méér ik praktisch of symbolisch uit mijn wereld verban, des te kleiner ik mijn
wereld maak. De wereld is mijn huiskamer: waarom die willen vervuilen, vernietigen,
of aankleden in onverschilligheid, pessimisme, haat? Natuurlijk is het helaas zo dat
anderen dat wel vóór mij doen; ik zie geen reden daar nog aan toe te voegen. Dit is
mij heilig, en ik wil zien hier zoveel mogelijk van te houden. Dat kan tenslotte
natuurlijk ook aan de hand van andere mensen. Zoals iedereen weet is weinig zo
waardevol als de beleving van vriendschap en liefde. En ook hier geldt: hoe meer je
geeft, hoe meer je ontvangt.
"Men heeft voor de religie geleefd, voor de wetenschap, voor de ethiek en voor
de economie; zelfs heeft men geleefd om de schim van de kunst of van het genot te
dienen; het enige wat men niet heeft geprobeerd is radicaal voor het leven te leven.
Gelukkig heeft men het toch altijd min of meer gedaan, maar dan onwillekeurig; zodra
de mens merkte dat hij dat aan het doen was, schaamde hij zich en voelde een
vreemdsoortige wroeging" - José Ortega Y Gasset.
Genoeg van die wroeging. Dit is een onvoorwaardelijk Ja-zeggen
tegen het doodgewone dagelijks leven - nu echter wel in besef van de diepte en van de
plasticiteit. Dit is geen vast gegeven, maar een ruimte waaraan je sowieso
voortdurend inhoud geeft. Naarmate je dit realiseert vervagen de grenzen en groeit de
durf en de overtuiging. Dit is geen snelweg, maar een zwembad.
Nu het denken is bevrijd uit de kluts van de vraag naar wat
en waarvoor Het is, kunnen we ons thans engageren in een wel heel aantrekkelijk veld
van onderzoek en discussie: levenskunst, zelfcultuur, ofwel: hoe hier zoveel mogelijk
van te houden.
Eigen je het leven toe!: dat is alles. Zie de ruimte en zie
je te geven. Dit is allemaal helemaal van en voor jou alleen.