Voor zoekers


citaat (zinrijk.nl)
De liefde die wij anderen toedragen blijft de maatstaf voor de authenticiteit van onze contemplatie.
Frère Roger

Zangretraite in Portugal (meer)
Op een prachtige locatie (Monte na Luz - met zwembad) vlak bij de Middellandse zee, zingen we dat het een lieve lust is. Groepsgrootte: 15 personen. 21 - 27 juni
Deze weken met Jan-Hendrik Veenkamp zijn voor mij het hoogtepunt van het jaar. – Alex Pot

Bekijk deze pagina ook eens in de mooie lay-out van ZinRijk.nl.

De teksten geven geen gemakkelijke oplossingen of antwoorden; ik geloof ook niet dat dat mogelijk is. Wie zou immers iemand anders een bepaald geloof of een religieuze ervaring kunnen aanpraten?

Sommige teksten bieden bemoediging, terwijl andere misschien niet meer bieden dan de herkenning dat er nog meer mensen zijn die zoeken en nog niet gevonden hebben. Maar is dat al niet heel veel?

Een suggestie: ik geloof dat de zin van het leven of het Goddelijke in ieder geval niet met het verstand alleen gevonden kan worden. Ik geloof dat uit een gedurende langere tijd volgehouden praktijk van meditatie - welke vorm daarvan jou ook het meest moge liggen - uiteindelijk iets van een nieuwe overtuiging of een nieuw vertrouwen geboren kan worden, los van alle twijfels die ons verstand zaait. Wellicht iets om uit te proberen?

In dit verband is het misschien aardig om eens een kijkje te nemen op de pagina gewijd aan de Zen-parabel van de herder en zijn os. Deze parabel in teksten en plaatjes is niet per se gemakkelijk toegankelijk, maar wel interessant aangezien hij expliciet zoeken (en soms vinden) als onderwerp heeft.


Klik om naar de eerste tekst op deze pagina te gaan


TIP:
Klikken op de voetjes naast de teksten - te beginnen met het voetje naast deze tip - brengt je telkens één tekst verder. Klikken op het voetje bij de laatste tekst op deze pagina voert je terug naar de allereerste tekst, bovenaan deze pagina.

 

 

Inhoud in het kort van deze pagina:
Citaten      Verhaaltjes       Gedichten      Gebeden
 

Uitgebreidere inhoud:
klik met rechter muisknop in de tekst...

 

            

Vorige pagina
Vorige

Volgende pagina
Volgende

            

Citaten

Frère Roger Schutz (abt Taizé):

God woont in de grond van je ziel. Twijfel je daaraan af en toe? Je bent daarom nog niet ontrouw. Twijfel is soms de keerzijde van geloven. In jouw nachten ontvlamt aan de dorst naar Zijn tegenwoordigheid een licht dat in jou Zijn glans verspreidt. Colton (1780-1832):

Twijfel is de vestibule waardoor allen heen moeten gaan om binnen te kunnen komen in de tempel der wijsheid. Zenspreuk:

Grote twijfel, grote verlichting;
kleine twijfel, kleine verlichting;
géén twijfel, géén verlichting. Anonymus:

Wie parels wil vinden moet diep duiken. Alex Pot:

God vind je daar, waar je de vreugde van de bekommernis om elkaar ervaart. Onze ogen zien licht en kleuren, onze oren horen geluiden; evenzo is ons hart het zintuig voor het ervaren van vreugde. Deze vreugde is het spoor dat God in ons hart trekt, het spoor waarlangs we Hem kunnen vinden. John Petit-Senn:

Wie God niet overal ziet, vindt hem nergens. Carla Pols:

Misschien ben je al zover dat je niet meer weet waar je zoeken moet; dan komt Het van Zelf. Een hoopgevend Zen-vers
(van Zenrin Koshu?; vijftiende eeuw):

Tien jaar zoeken in het diepe woud.
Tenslotte, een luid gelach bij de oever van het meer. Uitspraak van een Zen-meester
(mooi aansluitend bij het voorgaande citaat):

30 Jaar lang heb ik water verkocht langs de oever van de rivier. Bajazid Bastami:

Dertig jaar lang was ik
op zoek naar God
en toen ik hem
aan het einde van die tijd
de ogen opende,
ontdekte ik,
dat hij het was die mij zocht. Romano Guardini:
(gevonden in Paul Harris' prachtige citatenboek
"The Fire of Silence and Stilness.
An Anthology of Quotations for the Spiritual Journey")

Hoe lang moet ik wachten?
God weet het.
Hij kan zichzelf zomaar ineens schenken,
maar misschien moet je wel twintig jaar wachten...
Op een dag zal Hij zich aandienen.
Op een dag in de stilte...
zul je weten...
Niet uit een boek
of door de woorden van iemand anders,
maar door Hem zelf. Gehoord van een vriendin:

Als je gevonden hebt, heb je nog niet goed genoeg gezocht. Zenmeester Daito Kokushi:

Zoek in het water en je vind de golven niet,
Toch ontstijgen de golven aan het water. Decouvertes:

Het is niet het antwoord dat verlicht(ing brengt), maar de vraag. Burkle:

Zij die de duisternis niet bemerken, zullen het licht nooit zoeken. Anthony de Mello:

"Help ons God te vinden."
"Niemand kan je daarbij helpen."
"Waarom niet?"
"Om dezelfde reden waarom niemand een vis kan helpen om de oceaan te ontdekken." Anthony de Mello:

"Wat is het dat je zoekt?" vroeg de Meester aan een leerling die hem opgezocht had om raad.
   "Léven," was het antwoord.
   Waarop de Meester reageerde met: "Als jij wilt leven, moeten woorden sterven."
   Toen de Meester naderhand gevraagd werd wat hij daarmee bedoelde, antwoordde hij: "Jullie zijn verloren en wanhopig omdat jullie wonen in een wereld van woorden. Jullie voeden jezelf met woorden, jullie bent tevreden met woorden terwijl het enige dat je nodig hebt de werkelijkheid zelf [substance] is. Een menukaart kan je honger niet stillen. Een formulering zal je dorst niet lessen." Thomas Kelly:
(in "The Sanctuary of the Soul: Selected Writings of Thomas Kelly." Upper Room Books, Nashville, TN. 1997, pp.23-24)

En nu wil ik je inwijden in een geheim. Hoe kun je er zeker van zijn dat er een God te vinden zal zijn aan het eind van jouw speurtocht? Wel, om de eenvoudige reden dat Hij zich reeds aan jou heeft laten zien, juist in je impuls om Hem te zoeken. Ben jíj begonnen Hem te zoeken? Nee, Hij zette jou aan tot zoeken, en gidst jou liefdevol, bezorgd en teder naar Zichzelf toe. Jij klopt aan op de hemelpoort omdat Hij al eerder aangeklopt heeft op jouw innerlijke poort, je onrustig makend en je oproepend op te staan en op zoek te gaan naar het huis van je Vader. Het is zoals St. Augustinus zegt: Hij is in ons, maar wij dwaalden en zochten Hem buiten ons... In aansluiting bij het vorige citaat:

Wie God zoekt ... heeft Hem reeds gevonden. Sint Augustinus:

Gij hebt ons gezocht
opdat wij U zouden zoeken. Sint Augustinus:

U maakt in ons de vreugde van Uw lofprijzing wakker; want U hebt ons geschapen naar U toe, en ons hart is onrustig totdat het rust in U. Sint Augustinus:
(uit Homilieën bij de psalmen, 37,14. Geciteerd in: R. Demeyer e.a., 'Pelgrim naar de bronnen. Hoogtepunten uit de spiritualiteit', Tielt/Amsterdam 1976, pag.166-167)
    N.B.: Lees naast de onderstaande tekst zeker ook eens de tekst van een mij onbekende auteur over het in het innerlijk verborgen gebed elders op deze site!
 

Uw verlangen is uw gebed; indien u onophoudelijk verlangt, dan bidt u ook onophoudelijk. Niet voor niets heeft de apostel gezegd: "Bidt zonder ophouden" (1Thess. 5,17). Moeten wij nu altijd op de grond knielen, het lichaam uitgestrekt en de handen opgeheven, omdat hij ons zegt: "Bidt zonder ophouden"? Indien wij alleen dit bidden noemen, dan zie ik niet in dat wij het zonder ophouden kunnen verrichten. Maar er rust in de ziel een ander gebed, een inwendig gebed dat geen einde kent, namelijk het verlangen. Wat u ook doet, indien u de eeuwige sabbat verlangt, dan houdt u niet op te bidden. Uw voortdurend verlangen zal uw voortdurend geroep zijn. U zult tot verstomming vervallen, indien u uw liefde laat verminderen. Wie zijn degenen die verstomd worden? Zij van wie gezegd is: "Door de hand over hand toenemen van de zonde zal de liefde van de meesten verkoelen" (Mt. 24,12).
   Het verkoelen van de liefde is de verstomming van het hart; de vlam van de liefde is het roepen van het hart. Indien uw liefde zonder ophouden brandt, dan roept u ook zonder ophouden; indien u zonder ophouden roept, dan verlangt u ook zonder ophouden. (In Ps. 37, 14) Nelly Sachs: Het verlangen als een spoor naar God
 

Als we geloven dat God een God van het leven is, dan kan het verlangen een spoor zijn waarlangs wij hem kunnen vinden. Het verlangen zou voor ons een weg zijn waarop wij Zijn wil kunnen ontdekken. Het verlangen is de stem van God in mij, die Hij zelf in mijn ziel heeft geweven. Thomas à Kempis:
(uit Alleenspraak der ziel, XII. Geciteerd in: G. Gieraths, 'Rijnlandse mystiek', Haarlem 1981, pag.75-6. Vergelijk ook de tekst van St. Augustinus verder naar beneden op deze pagina)


DAT ÉNE ZOEK IK, DAT ÉNE BEGEER IK

'Zeg tot mijn ziel: Uw heil ben Ik.' - Hoe edel zijt gij, mijn ziel: welk een wonder van kracht ligt er in u verborgen; want rust zult gij niet vinden dan na het hoogste goed verworven en het einddoel bereikt te hebben. Pas als gij dat erkend en gevonden hebt, zal uw onrust wijken.
   O Goed boven alle goed, eindeloos einddoel: wanneer zal ik U genieten, onbeperkt en voor altijd? Ik vind veel goeds hier op aarde; maar dat is niet duurzaam en geeft geen verzadiging. Voor mij is nog maar één ding noodzakelijk.
   Dat éne zoek ik, dat éne begeer ik. Alles bestaat omwille van de éne en uit dat éne komt alles voort. Wanneer ik dat bezit, zal ik tevreden zijn; zolang ik het niet verworven heb, blijf ik onrustig zoeken, want de veelheid kan mij niet bevredigen.
   Wat is dat éne? Ik kan het niet zeggen. Ik voel dat ik ernaar verlang, want niets bestaat er of valt er te bedenken wat beter en groter is. Dit éne is er niet temidden van alles; het éne is er boven alles. Mijn God is het: Hem nabij zijn en toebehoren, dat is mijn hoogste geluk.
   Tot Hem zeg ik en roep ik: 'Zeg tot mijn ziel: Uw heil ben Ik.' Wat anders kan mijn ziel zo boordevol verlangen najagen? Is het niet beter te kiezen voor de Ene dan voor het vele? Uit de Ene is het vele, niet uit het vele die Ene. Houd op te zoeken naar het vele. Hecht u aan de Ene, hecht u vast aan Hem alleen: in de Ene is alles wat bestaat. Laat anderen zoeken naar het vele en het verscheidene, dat uiterlijk is; zoek zelf innerlijk het Goed dat enig is. Dat zal u genoeg zijn. Rainer Maria Rilke (1875 - 1926):
(uit Briefe an einen jungen Dichter)
 

DE VRAGEN ZÈLF LEVEN

U bent zo jong, zo vóór alle begin, en ik zou u willen verzoeken geduld te hebben met al het onopgeloste in uw hart en te proberen de vragen zelf lief te hebben, als afgesloten vertrekken en als boeken die in een zeer vreemde taal geschreven zijn. Speur niet naar antwoorden die u niet gegeven kunnen worden, omdat u die antwoorden nu niet zou kunnen léven. En het gaat erom, alles te leven. Leef nu de vragen. Wellicht zult u dan langzamerhand, zonder het te merken, op een verre dag het antwoord binnenleven. Martin Buber:

Je kunt God niet zoeken, omdat er geen enkele plek is waar Hij niet te vinden is. Hoe dwaas zou iemand zijn, die zou afwijken van zijn levensweg om God te zoeken. Al zou hij alle wijsheid van de eenzaamheid en alle macht van concentratie winnen, God liep hij mis. Veeleer is het als wanneer iemand zijn weg gaat en alleen maar hoopt, dat het de weg van God zal zijn. Jesaja 55:1-3,6 (KBS):

Komt allen die dorst hebt,
hier is water;
en gij, die geen geld hebt,
komt, koopt koren en eet zonder geld,
en drinkt zonder betaling wijn en melk.
Waarom besteedt gij geld aan wat geen brood is,
en uw loon aan iets wat niet verzadigt?
Luistert aandachtig naar mij,
en gij zult eten wat goed is,
en uw honger stillen met uitgelezen spijs.
Neig uw oor en komt naar Mij,
luistert en gij zult leven;
een eeuwig verbond zal ik met u sluiten.
(...)
Zoekt JHWH, nu Hij te vinden is,
roept Hem aan: Hij is nabij. Thomas Merton:

Naar God zoeken is als het zoeken van een pad in een ondergesneeuwd veld; als dat pad er niet is en je het toch wilt vinden, steek dan het veld over en daar verschijnt je pad ! Thomas Merton:

De weg naar onze bevrijding is dat wat we het meest bang voor zijn. Er is iets in ons dat aan een stuk door probeert zich vast te klampen aan een antwoord en dat in te sluiten, zoals een hongerige zeester een mosselschelp omklemt, om er alle "geestelijke rijkdommen" uit te zuigen naar welke wij hongeren. Bernardus van Clairvaux:

Hij alleen is God die nooit tevergeefs gezocht wordt, zelfs wanneer Hij niet gevonden kan worden. Abt Korneel Vermeiren (van de Trappistenabdij te Tilburg):

[Mensen idealiseren monniken soms, alsof die zeker zouden zijn van God. Maar ook monniken blijven levenslang OEFENEN in vertrouwen, want:] "Wij roepen misschien een beeld van zekerheid op, maar het is veel meer van 'zien soms even'. God is een langzame ontdekking, anders maak je je maar wat wijs." De kleine prins
(in Antoine de Saint-Excupéry's boek met de gelijknamige titel; een zeer wijs en erg lezenswaardig boekje!):

De mensen, zei de kleine prins, kruipen in sneltreinen, maar ze weten niet meer wat ze zoeken. Ze maken zich druk en draaien in een kring rond. Twee fragmenten uit Felix Timmermans, 'De harp van St. Franciscus', Amsterdam z.j.:

Franciscus was ineens verlegen en zei, zoo om zich te verontschuldigen: - Ik zocht naar een schat. De jongen zei: - Ik heb het gehoord. Ge zult dien schat wel vinden, als ge maar diep genoeg graaft. In het Evangelie staat: Wie klopt zal open gedaan worden.
(...)
- Altijd maar dieper graven, glimlachte de jongen, leest veel. Leest hier al eens in dat boekske, dat zijn de Evangelies, luistert verder naar de stilte, en naar het verdriet van de menschen. Daar is veel verdriet achter den lach van de menschen verborgen, en dan zult ge den schat zeker vinden.

 
 
 
 
 
 


 

Verhaaltjes

Een oud boeddhistisch verhaal:

De enige zoon van een moeder stierf. In haar verdriet en wanhoop zocht ze de Boeddha op, om te vragen of hij misschien haar zoon weer tot leven kon brengen. De Boeddha ging niet in op haar verzoek, maar zei: "Brengt u mij een mosterdzaadje uit een huis dat nooit verdriet heeft gekend. Dat kunnen we gebruiken om het verdriet uit uw leven te verdrijven."
   De vrouw ging direct op pad om zo'n magisch zaadje te ontdekken. Maar welk huis ze ook binnen ging om haar vraag te stellen, steeds opnieuw bleek dat ieder huis wel zijn eigen verdriet kende of had gekend. De verhalen van de inwoners, of het nu vorsten waren of bedelaars, raakten de vrouw zodanig in haar hart dat ze een tijdje bleef om hen te troosten. Ze dacht bij zichzelf: "Wie is beter in staat om deze arme, ongelukkige mensen te helpen dan ik, die zelf ongelukkig ben?"
   Ongemerkt begon ze in de loop der tijd door deze betrokkenheid bij anderen haar eigen verdriet te vergeten. Ze vergat het magische mosterdzaadje, zonder te beseffen dat dit inderdaad het verdriet uit haar leven verdreven had. Onderstaande anekdote vond ik in Jack Kornfields prachtige boek "The Eightfold Path for the Householder: Ten talks". Deze titel betekent zoveel als: Het Achtvoudig Pad - d.w.z. de boeddhistische heilsweg - voor leken (Het boek staat hier te lezen):

[Op een dag, tijdens een bijeenkomst rond Korfields yoga-goeroe Nisargadatta Maharaj, stelden een paar mensen vragen aan die goeroe. Ze waren teleurgesteld met het antwoord en verlieten daarom de zaal. Eén van de leerlingen van de Maharja vroeg hem of ze, door weg te lopen bij zo'n groot goeroe, hun kans op spirituele groei in dit leven nu definitief vergooid hadden.] Op dat moment twinkelden de ogen van de Maharaj en begon hij helemaal te stralen. Hij zei: "Te laat! Het feit alleen al dat ze een voet hebben binnengezet in deze ruimte, zelfs al hadden ze geen vragen gesteld, betekent dat er ergens in hen een zaadje ligt te wachten van werkelijk inzicht in wie wij zijn en in de essentie van het leven. Dat is niet het soort kennis dat je leert op school, of waarover gesproken wordt op tv of geschreven in de kranten. Het is een diep zaad van kennis van je ware natuur, een zaad dat aanzet tot zoeken. Het is alsof je thuiskomt. Het feit dat deze mensen hier binnenliepen, betekent dat het zaad ontkiemd is in hen. Wat ze ook doen om het te vergeten, ook al zou de jonge loot terugzakken onder de grond en tijdelijk onzichtbaar zijn, vroeger of later zal deze op verlichting uitlopen." Anthony de Mello:

Toen een leerling uit een land ver weg bij hem aankwam, vroeg de Meester: "Wat is het dat jij zoekt?"
   "Verlichting."
   "Jij bezit je eigen schatkelder. Waarom zoek je buiten?"
   "Waar is mijn schatkelder?"
   "Het is dit zoeken dat over jou gekomen is."
   Op dat moment raakte de leerling verlicht. Nog jaren later was hij gewoon tegen zijn vrienden te zeggen: "Open je eigen schatkelder en geniet van de rijkdommen daarin." Intrigerend gesprek tussen ambassadeur G'Kar [G] en een vragensteller [V] in de SF-serie Babylon 5 (d.d. 27-7-2002):

G:
" ... En daarom besteden we teveel tijd aan pogingen om serieus te zijn. Alsof dat bewijst dat we meer verlicht zouden zijn zijn, beter dan ieder ander. Maar we kunnen niet vrij zijn voordat we geleerd hebben te lachen om onszelf. Als je eenmaal in de spiegel kijkt en ziet hoe dwaas we kunnen zijn, is lachen onvermijdelijk. En lachen brengt wijsheid voort.
    Volgende vraag."
V:
"Wat is waarheid? En wat is God?"
G:
"Dat wil je niet echt weten."
V:
"Ja, toch wel. Alstublieft!"
G:
"Als ik een lamp neem en daarmee op een muur schijn, zal er een heldere plek verschijnen op die muur. De lamp staat voor ons zoeken naar waarheid, naar inzicht. Te vaak nemen we aan dat het licht op de muur God is. Maar het licht is niet het doel van de zoektocht; het is het resultaat ervan. Hoe intensiever de zoektocht, des te feller het licht op de muur. Hoe feller het licht op de muur, des te groter het gevoel van openbaring. Evenzo zal iemand die niet zoekt, die geen lamp met zich meeneemt, niets zien.
    Wat wij als God zien, is het neveneffect van ons zoeken naar God. Wellicht is het slechts onze waardering voor het licht, zuiver en onbesmet, zonder dat we beseffen dat het licht van ons komt.
    Soms staan we in de weg van het licht en denken dat we de spil van het heelal zijn. God lijkt [dan] verbazingwekkend veel op ons. Of we draaien ons om en kijken naar onze schaduw, en menen dat alles duisternis is. Als we in de baan van het licht gaan staan, missen we het doel: het licht van ons zoeken gebruiken om de muur in al zijn schoonheid - en in al zijn gebreken - op te laten lichten, en zo doende de wereld rondom ons beter te begrijpen."
V:
"Ah, ja, maar:  ...  Wat is waarheid? En wat is God?"
G:
"De waarheid is een rivier."
V:
"En wat is God?"
G:
"God is  ...  de monding van de rivier." De Goddelijkheid van de mens:
(deze tekst mocht ik ontlenen aan een pagina van de homepage van Boy Kollée. Waarvoor mijn dank!)


Er was eens een tijd heel lang geleden,
dat alle mensen Goden waren.
Ze beschikten allen over een geweldige macht,
maar zij maakten daar misbruik van.
Brahma, de God der goden, besloot daar iets aan te doen.
Hij wilde de goddelijkheid van de mens verbergen.
Hij riep alle mindere Goden bijeen en vroeg hen
waar hij het beste met die grootheid kon blijven.

Een van de Goden zei:
"Laat ons de grootheid maar begraven in het diepst van de aarde."
Waarop de Brahma antwoordde:
"Nee, want eens komt de dag dat de mens
zo diep zal graven dat hij zijn grootheid terug zal vinden.

Een andere God zei toen:
"Gooi het in het diepst van de oceaan."
Maar opnieuw antwoordde Brahma:
"Nee, want eens komt de dag dat de mens
het diepst van de oceaan zal ontdekken."

Een derde zei:
"Verstop het op de allerhoogste berg."
Maar ook hierop antwoordde Brahma:
"Nee, want eens komt de dag dat de mens die bergtop zal beklimmen."
Ten einde raad gaven de mindere goden het op.

Toen zei Brahma de God der goden:
"Op aarde is maar één plaats,
waar de grote goddelijkheid van de mens
afdoende kan worden opgeborgen.
Eén plaats waar hij zeker nooit zal zoeken.
En dat is: In het diepst van hemzelf." Mgr. Bluyssen:

Een kluizenaar raakte in zijn eenzaam huisje tijdens een watervloed in grote nood. Hij bad tot God in diep vertrouwen. Iemand klopte op de deur: Kom mee met de laatste auto die probeert te ontkomen. De kluizenaar sloeg het aanbod af: God zal mij te hulp komen. Hij bleef vurig bidden, terwijl het water steeg tot boven de vensterbank. Toen kwam er een boot langs om hem op te halen. Maar de kluizenaar weigerde; hij bleef liever wachten op God. Terwijl het water in zijn huisje tot aan zijn mond kwam, en vanuit een helikopter een lijn naar hem uitgeworpen werd, bleef hij weigeren, vol godsvertrouwen. Even later was hij verdronken, en stond hij voor God: 'Heer, waar was U? Waarom deed U niets?'. 'Deed ik niets?', was Gods reactie. 'Drie maal ben ik bij jou langs gekomen, en heb Ik je aangeboden jou in veiligheid te brengen. Dat je Mij niet herkend hebt!' Martin Buber:

Rabbi Mendel van Kozk verraste eens een paar geleerde mannen, die bij hem te gast waren, met de vraag: 'Waar woont God?' Ze lachten hem uit: 'Schaam je! De wereld is toch vol van zijn heerlijkheid?' Maar hij beantwoordde zijn eigen vraag: 'God woont waar je hem binnenlaat.'
 
 

 
 
 
 
 
 

Gedichten

Gerard Reve:

Eigenlijk geloof ik niets,
en twijfel aan alles, zelfs aan U.

Maar soms, wanneer ik denk
dat Gij waarachtig leeft,
dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,
en dat, in dezelfde wanhoop, Gij mij zoekt
zoals ik U. C.S. Adama van Scheltema:

IN 'T HERFSTBOSCH

Het herfstbosch verteert zich
   Als een doodstil vuur
In den fonklenden morgen -
   Goud en azuur.

Als juweelen wachten
   Droppels hun val -
In iederen droppel
   Hangt het heelal.

't Is of ik de wereld
   Nu eerst ontwaar
En God en ik glimlachen
   Tegen elkaar.

Is dit dan alles -
   Dit zwijgende licht?
Mijn God wat is achter
   Uw aangezicht -?

De droppels vallen,
   De stilte ontspant
Zich, een bladje dwarrelt
   Omlaag in mijn handů

Wat zijt gij dan wereld?
   Ach, altijd weer
Een beeld van beelden -
   Is er niet meer?

Niet meer, dat eenmaal
   Voor onze oogen daagt -?
O - gelukkig, die leven
   Kan en niet vraagt! Hendrik Marsman:

BAAI BIJ AVOND

De schemering valt.
een grote, rode maan
stijgt langzaam uit de golven
aan den oosterrand
der nauwlijks ademende avondzee.
de dromen komen met de golven mee
en mijmerend gewordt mij, ongezocht,
waarvoor ik jaren in vertwijfeling vocht,
denkende dat het geluk omstréden moest zijn
en dat het leven zonder smeken niet schenkt.
o, heerlijk is nu het talmen
geworden aan deze rede!
bij het dwalen onder de nacht'lijke palmen
ben ik van vrede doordrenkt. C.S. Adama van Scheltema:

WIJ ZOEKEN 'T VER

   Wij zoeken 't ver: -
Ik zoek het zuiver schoone beeld,
Dat kan verzoenen met dit leven:
De vreemde vlinder die daar speelt
Draagt 't op haar vleugelen geschreven -
   Doch als 'k mijn handen om haar sluit
   Wisch ik die teere teekens uit!

   "Gij volgt vergeefs wat immer vliedt
En houdt den schoonen schijn voor 't wezen,
Door eigen onrust ziet gij niet
Dat op haar vleugels staat te lezen:
   Mijn beeld bloeit immer aan uw zij,
   Gij gaat mij blindelings voorbij!"

   Wij zoeken 't ver: -
Ik zoek de zegenrijke vrucht
Van wijsheid en volkomen weten,
Ik zoek de sterren aan de lucht
En alle hemelen te meten -
   Maar ach, hoe hooger of ik stijg,
   Hoe meer of ik naar adem hijg!

   "Gij zoekt te zien wat niemand kent,
Wilt gij nog meer zien dan uw oogen,
Zoo streeft gij uit uw element
En zwijmt gij als een visch op 't droge:
   Slechts die zich uit zichzelven wenscht
   Voelt zich en zijne ziel begrensd!"

   Wij zoeken 't ver: -
Ik zoek de liefde en dien gloed,
Die altijd brandt en nooit beschadigt,
De diepe bron, die immer zoet,
Toch immerweer mijn dorst verzadigt -
   Maar ach, van elke nieuwe min
   Proef ik het einde in 't begin!

   "Gij zoekt - en elk gevonden hart
Verliest gij reeds bij het ontvangen,
Omdat ge, in eigenmin verward,
Slechts liefde voelt voor uw verlangen:
   De liefde, die gij 't leven vraagt,
   Bloeit in het hart dat ge in u draagt!"

   Wij zoeken 't ver: -
Wij zoeken een gedroomd gelaat
In 't driftig leven te bereiken -
't Geluk, dat immer vóór ons gaat
En immer verder schijnt te wijken,
   En tusschen stage vrees en hoop
   Gaat onze rustelooze loop;

   Wij zoeken en vergaren 't goud,
Dat we immer de' andren dag zien blinken,
Om eindlijk, afgeteld en oud,
Op onze schatten neer te zinken;
   Wij blinden: - ook het kleinste stuk
   Droeg toch den beeld'naar van 't geluk! Mary Stevenson: Voetstappen in het zand:
(bekijk hier een aantal varianten op onderstaande tekst)

Ik droomde eens en zie ik liep aan 't strand bij laag tij. Ik was daar niet alleen, want ook de Heer liep aan mijn zij.

We liepen samen 't leven door en lieten in het zand, een spoor van stappen, twee aan twee; de Heer liep aan mijn hand.

Ik stopte en keek achter mij en zag mijn levensloop, in tijden van geluk en vreugd, van diepe smart en hoop.

Maar als ik goed het spoor bekeek, zag ik langs heel de baan, daar waar het juist het moeilijkst was maar één paar stappen staan.

Ik zei toen: "Heer, waarom dan toch?" Juist toen 'k U nodig had, juist toen ik zelf geen uitkomst zag op 't zwaarste deel van 't pad...

De Heer keek toen vol liefde mij aan en antwoordde op mijn vragen: "Mijn lieve kind, toen 't moeilijk was, toen heb Ik jou gedragen". Henriëtte Roland Holst-van der Schalk:

Te loopen in het jonge lentelicht,
dat nu elken dag langer openbloeit, -
naar de steilte te heffen het gezicht,
daarheen waar hoog, eenzaam een vogel roeit,

of maar naar den top van den populier,
waarin de merel zijn avondlied zingt, -
lied, waar al het geluksverlange' in klinkt,
dat nu rumoert door mensch en dier, -

zoo te loopen, vaak vol bekommering
over de wereld, het duistre gebeur

in haar; kleine, nietige enkeling
vol zwakheid en vol twijfel en getreur,

en dan op eens, vol moed weer en vol drang
te helpe' en ook nog soms, vol lentezang. Abel Herzberg:
(in: 'Drie rode rozen', Amsterdam 1987, pag.114)

Want alles is fragment.

Al door het zeggen van het woord
Deelt men, scheidt men en schendt
Het alomvattende, dan men niet kent,
Dat ik aanwezig weet of alleen maar vermoed,
Dat ik niet uitspreken kan en toch uitspreken moet,
Dat mij beheerst en mij te luisteren gebiedt.
Maar als ik zoek en luister, dan vind ik het niet.

Een troost blijft:

Er is in ieder woord een woord,
Dat tot het onuitsprekelijke behoort;
Er is in ieder deel een deel
Van het ondeelbare geheel,
Gelijk in elke kus, hoe kort,
Het hele leven meegegeven wordt. Theo van Baaren (1912-1989):

PASTORALE IN MINEUR

Ik heb je overal gezocht,
maar wilgenboom en gagelstruik,
waar ik je zo vaak vinden mocht
met herdersstaf en waterkruik,
staan eenzaam in de najaarszon
in 't ruige veen, rondom de bron.

De vogels roepen in 't moeras
mij reeds je naam vol weemoed na,
de hagedissen in het gras
slaan mij, het vluchten moede, ga,
wanneer ik langs de vennen dool,
waar jij des zomers zo vaak school.

Ik voel in 't waaien van de wind,
die door de kromme sparren vaart,
het strelen van je hand, en vind
je voetstap in het mos bewaard,
maar als een ijle nevelschim
verdwijn je aan de regenkim. Willem de Mérode:

DE ZOEKENDE

Zoo Gij U niet laat vinden,
Waarom te zoeken, Heer?
Keert Gij tot Uw beminde
Dan nimmer, nimmer weer?

Soms roeren zich de luchten,
Of hen Uw voet bewoog.
Dan blinken bloem en vruchten
Als spiegels van Uw oog.

Dan vloeien er rivieren
Langs 't veld van levend licht:
Kalm liggend zien de dieren
Naar Uw voorbij gezicht.

Gij laat Uw goedheid glijden
Tot over 't needrigst kruid.
Mijn hart moet U verbeiden
Als een getooide Bruid.

Maar hoe zal ik U vinden
Dien ik zoo kort bezat?
O hart, zoek uw Beminde
In veld en dorp en stad.

Dan, schuivend om de hoeken
Der menschenvolle straat,
Valt langs uw moede zoeken
De schaűw van zijn gelaat. De Soefi-mysticus Roemi:
(klik hier voor informatie over een heel mooie Nederlandstalige bloemlezing uit het werk van Roemi)
 

Waar pijn is, zullen genezingen volgen;
waar armoede is, zal rijkdom volgen.
Waar vragen zijn, zullen antwoorden gegeven worden;
waar schepen zijn, zal water stromen.
Besteed minder tijd aan het zoeken naar water en verwerf jezelf dorst!
Dan zal er overvloedig water stromen van boven en van beneden. De Soefi-mysticus Roemi:

Minnaars delen een heilige verordening:
de Beminde zoeken!
Ze struikelen over hun eigen hielen,
de Schone Ene tegemoet snellend
als een stortvloed van water.
 
In waarheid is iedereen een schaduw van de Beminde -
Ons zoeken is Zíjn zoeken,
Onze woorden zijn Zíjn woorden.
 
Bij tijden stromen we de Beminde tegemoet
als een dansende rivier.
Bij tijden zijn we een stilstaand water
bijeengehouden in Zijn kruik.
Bij tijden koken we in een ketel
verdampen tot stoom
dat [alles] is het werk van de Beminde.
 
Hij ademt in mijn oor
totdat mijn ziel
zijn geur overneemt.
Hij is de ziel van mijn ziel
Hoe zou ik kunnen ontkomen?
Maar welke ziel in deze wereld
zou zijn Beminde willen ontsnappen?
 
Hij zal je trots smelten
je mager maken als een streng haren,
En toch: verhandel niet - al won je er beide werelden mee,
zelfs maar één van Zijn haren.
 
We zoeken Hem her en der
terwijl we Hem recht aankijken.
Aan Zijn zijde zittend vragen we:
"O Beminde, waar is de Beminde?"
 
Genoeg van dit soort vragen! -
Laat stilte je naar het merg van het leven voeren.
 
Al je gepraat is waardeloos
Vergeleken met één fluistering
van de Beminde. Roemi:

ALCHEMIST VAN MIJN ZIEL

O eindeloze en mededogend Ene,
hoog verheven boven de rest,
Jij hebt het dorre onkruid van het intellect in vuur gezet.
Je bent gekomen met een glimlach,
en hebt de poorten van mijn gevangenis wijd opengegooid.
Je bent gekomen tot de onaanzienlijken
en hebt geschonken met de gulheid van God.

Jij bent het appèl van de opgaande zon,
Jij bent de hoop van alle mensen in nood.
Jij bent de zoeker, het doel,
en het zoeken zelf.
Vlammend als vuur in ieder hart,
de geest bevrijdend van zijn rusteloosheid,
Jij bent de ziener, het geziene, en het zien zelf.

O Alchemist van mijn ziel, essentie van alle waarheid,
toen jouw geneesmiddel verscheen
verloor al het andere zijn betekenis.

Er was een tijd dat we onszelf verloren in anderen,
een tijd waarin we het meest uitgelezen voedsel aten.
Er was een tijd dat we vertrouwden op het intellect,
een tijd waarin we het fortuin najoegen -
maar dit alles had uiteindelijk geen enkele waarde.

Voor een mondvol eten en een paar bittere kruiden
gingen we overal heen,
we maakten zoveel plannen -
de ene dag was het Rome,
de andere dag was het Afrika.

We betraden het slagveld in het heetst van de strijd, maar waarvoor? -
voor een paar kruimels brood.

Raak je ziel kwijt in Gods liefde, ik zweer
dat er geen andere weg is.

Blijf bij die stilte.
Ooit joeg ik de kennis van deze wereld na;
nu zijn de papieren ingepakt, de pennen gebroken -
O Saaqi, haal de wijn tevoorschijn! Roemi:

OPNIEUW GEVONDEN

weer eens
heeft mijn Geliefde
mij weten te vinden in de stad

Ik verborg mij voor
de extase van liefde
ik vluchtte voor de kroeg
maar was weldra gevonden

Wat heeft het voor zin om te rennen
geen ziel kan ontsnappen
het heeft geen zin je te verbergen
ik ben al honderd keren ontdekt

ik dacht dat ik mij kon verbergen
in een drukbevolkte stad
hoe zou ik dat kunnen, nu ik gevonden werd
temidden van mijn eigen dicht opeen geperste geheimen

nu vier ik mijn vreugde
ben vol geluk
alleen maar omdat ik, hoe graag ik
mij ook wilde verbergen, tóch gevonden ben

hoe kan ik mij verstoppen
wanneer overal de sporen te zien zijn
die de weg markeren van
mijn bloedend opgejaagde hart

tenslotte reikte mijn Geliefde mij
toen ik was gevonden
de schaal met wijn die weg wast
alle zorgen en ongeluk in de wereld Miguel de Unamuno (1864-1936):
(gedicht gevonden in een artikel in het dagblad Trouw)

HET GEBED VAN DE ATHEÏST

Hoor mij smeken, Gij God die niet bestaat,
wees in uw niets mijn klagen tot schoot,
Gij die de arme mensen niet ontbloot
van alle schijn: hun troost. Wend uw gelaat

niet af van ons gebed en ons begeren.
Want hoe meer Gij mijn verstand te boven gaat,
hoe meer ik hecht aan al het vroom gepraat
waarmee mijn lief de nacht wist te bezweren.

Wat zijt Gij groot, mijn God! Zo wijd en zijd
dat ge louter Idee zijt; om U te beslaan
is de wereld, hoe ze zich ook uitbreidt,

veel te klein. Om U is het dat ik lijd,
o niet bestaande God, want als Gij bestaat
dan is ook mijn bestaan werkelijkheid.

Salamanca, 26 september, 1910


 
 
 

Gebeden

Uit het gebed van een Engelse Cisterciënzer monnik (12e eeuw n.C.):

U zoek ik in het nacht'lijk zwart,
U in de kamer van mijn hart,
in druk bedrijf en zeer alleen,
steeds trekt mijn liefde naar U heen. Psalm 42:2-3;12 (KBS):

Gelijk het hert dat reikt
naar waar het water stroomt,
zó in verlangen reikt
mijn ziel naar U, o God.
Mijn ziel lijdt dorst naar God,
naar God die leven is;
wanneer mag ik opgaan,
dat ik voor God verschijn?
(...)
Wat buigt ge u neer, mijn ziel,
wat zijt ge ontrust in mij?
Stel gij op God uw hoop:
eenmaal loof ik Hem wéér
die mij bevrijdt - mijn God. St. Augustinus (354 - 430):
(De tekst van onderstaand gebed heb ik t.o.v. de bronvertaling enigszins gemoderniseerd - e.g. aanspreektitel "Jij" i.p.v. "U" en "Gij". Er bestaat overigens ook een prachtige vertaling door Huub Oosterhuis van ditzelfde gebed, onder de titel "Veel te laat". Vergelijk ook de tekst van Thomas à Kempis eerder op deze pagina.)


Laat heb ik Jou bemind,
Schoonheid zo oud en zo nieuw,
laat heb ik Jou bemind.

Jij was binnen, ik zocht Jou buiten.
Daar zocht ik dan en begreep de zin niet
van de mooie dingen die Jij hebt gemaakt.
Jij was bij mij, ik was niet bij Jou.
Al die dingen die er niet eens zouden zijn
als ze niet in Jou waren,
hielden mij ver van Jou weg.

Jij hebt geroepen met luide stem,
Jij bent door mijn doofheid gebroken.
Jouw glans en Jouw schittering
hebben mijn blindheid verjaagd.
Ik heb Je ingeademd als een zoete geur.
Ik loop verlangend achter Je aan.
Ik mocht Je proeven
en nu honger en dorst ik naar Jou.
Jij hebt me geraakt
en ik verlang naar Jouw vrede. Byzantijns gebed:
(uit: William A. Meninger: The Loving Search For God. Continuum, New York 1998)

Sereen Licht, schijnend in de
Grond van mijn wezen,
Trek mij naar U toe,
Trek mij voorbij de strikken van mijn zintuigen,
Wèg uit de mazen van de geest,
Bevrijd mij van symbolen en woorden,
Opdat ik moge ontdekken
De Aangeduide
Het Ongesproken Woord
In de duisternis
Welke de grond van mijn zijn overschaduwt. Amen

 

            

Vorige pagina
Vorige

Volgende pagina
Volgende

            

Deze pagina voor het laatst ververst op: zaterdag 5 maart 2005