Inhoud van deze pagina

Voordat je deze tekst
leest...
Een verzoek van de 'samenvatter' (AP dus)
Op deze pagina vind je een samenvatting door mij
van het boek "Spel zonder snaren" door F. Vos en E. Zürchner.
Gezien het werk dat ik gestoken heb in het
vervaardigen van deze samenvatting stel ik twee voorwaarden
aan degene die deze tekst kopiëert:
- Als je deze tekst (of gedeelten daarvan) uitdeelt
of publiceert, vermeld mij dan als bron. Natuurlijk
kan ik niets afdwingen, maar ik vertrouw op je welwillendheid :-)
- Heb je een eigen homepage waar Zen / meditatie /
spiritualiteit één van de onderwerpen is, neem daarin dan een link
op naar mijn homepage.
- Verdere informatie m.b.t. copyrights op materiaal van mijn hand
vind je hier.
-
Voor veel links i.v.m. het
(Zen)boeddhisme: surf naar boeddhisme.pagina.nl
Zelf Zenmeditatie beoefenen, en inspiratie opdoen tijdens een dag van meditatie en inleidingen i.v.m. Zenmeditatie? Bekijk dan eens de informatie over de Zenzondagen die ik verzorg in Bloemendaal.

F. Vos, E. Zürcher: Spel zonder snaren
Woord vooraf
Deze studie is historisch georiënteerd.
Inleiding (E.Z.)
A. Het karakter van Zen
Ten tijde van Bodhidharma stond boeddhisme onder keizerlijke protectie. Zen is
chinees product, geen vergelijkbare school in India. Verwerpt hele traditie.
dogmatiek en studie van de heilige geschriften van boeddhisme, en ontwikkelde geheel
eigen methodiek => is het nog wel een vorm van boeddhisme? Anderzijds grijpt het
terug op het meest essentiële van het boeddhisme: de Verlichting. Zen is een
zodanige mix van boeddhistische en chinese elementen, dat de twee voedende stromen
niet meer te onderscheiden zijn. Daarom Zen vanuit deze twee stromen benaderen.
B. Hoofdlijnen van het
boeddhisme
Drie aspecten in boeddhistische religieuze stelsel: Boeddha, Leer en Sangha.
1) Boeddha werd van historisch figuur abstract kosmisch
principe (Boeddha-natuur), en werd in deze twee vormen grondslag van boeddhisme.
2) Dharma vastgelegd in canon (sutra's), maar ook in
enorme secundaire lit: commentaren, filosofische verhandelingen, hagiografieën,
hymnes etc. Centrale punt: boeddhisme is persoonlijke verlossingsleer! Grote
paradox: er is geen ego. Ik is slechts een schijn-persoon, in stand gehouden door
begeerte => karma. Alle begeerte, en vooral de begeerte om te zijn, moet door de
mens zelf uitgeroeid worden. Heilsweg is zeer lang en alleen mogelijk binnen de
strenge sfeer van een klooster. Moraal, discipline, voortdurende eliminatie van
afgunst, twijfel etc. zijn zeer belangrijke voorbereidende stadia, maar uiteindelijke
verlossing alleen via doorgang door de verschillende trappen van Dhyana mogelijk:
ademhalingsoefeningen, visualiseringen, uitdoven van door buitenwereld gewekte
indrukken en gevoelens, om zo tot waar inzicht in niet-bestaan van 'ik' te komen.
Het bewuste onderscheidingsvermogen (vijnana) is slechts één van de skandha's, is
dus geen Goddelijke vonk zoals in andere religies. Dus ratio moet doorbroken worden.
Theravada: klassificatie van alle vergankelijke elementen die de
werkelijkheid samenstellen. Mahayana: al deze elementen zijn onwezenlijk,
hebben bestaan als een droom. Worden als één groot wankel kaartenhuis in stand
gehouden door onze wil tot onderscheiden, gebaseerd op waan en begeerte. Maar op
hoogste niveau, boven het denken uit, is alles identiek, ontdaan van ieder kenmerk,
ongrijpbaar en onkenbaar, 'leeg' (sunya). Alleen in bovenzinnelijke
ervaring/kennis (prajna) kan de wijze dit ervaren => verlossing uit karma en
begeerte. Negatief monisme. Achtergrond: Prajna-paramita (Vervolmaking der Gnosis);
Nagarjuna.
Naast deze Mahayanistische via negativa ontstaat enige eeuwen
later de Yogacara-leer (vooral Lankavatara-sutra): hele wereld is
product van ons bezoedeld bewustzijn. In werkelijkheid is er slechts de universele en
homogene Boeddha-natuur die alles doordringt en alle schijnbare
tegenstellingen opheft. Dit meditatief realiseren => bewustzijn ontdoen van alle
activiteit en individualiteit, zodat kan samenvloeien met Boeddha-natuur. Karma is
dus resultaat van bewustzijnsziekte.
Samenvattend: Leer van de Leegte en Yogacara-leer vanuit Indisch
boeddhisme van grote invloed geweest op doctrinaire ontwikkeling van Zen.
I. China (E.Z.)
1. De Taoïstische traditie
Vanaf 6e eeuw v.C. bleef chinese keizerrijk confuciaans => morele,
politieke, sociale gedragsregels en kosmologische speculaties. Vooral gedragen door
regerende bovenlaag. Idealen van stabiliteit, hiërarchische orde, harmonie en
plichtsbetrachting in de regering en in alle menselijke betrekkingen; verheerlijking
van de landbouw als basis van de economie en van de familie als grondslag van de
geordende samenleving. Gericht op hier en nu; anti-metafysische instelling.
Boeddhisme kreeg kans doordat het binnenkwam tijdens een
periode waarin confucianisme verzwakt was, en doordat het aansluiten kon bij de
tegenhanger ervan, het taoïsme. Taoïsme was gericht op persoonlijk heil,
verzaking van de maatschappij en kluizenaarsschap, en op de kosmische natuurlijke
orde, waarin de mens zich in dient te voegen. Taoïsme gefascineerd door het feit dat in de
natuur alles 'vanzelf' gebeurt, zonder bewuste inspanning. Deze kosmische
totaliteit is niet rationeel te vatten of in woorden te vangen. De 'Leer zonder
woorden' is enkel te ervaren via meditatie en extase. Belangrijk hierbij: het zien
van de dingen zoals zij zijn, zonder (voor)oordelen.
Samenvatting overeenkomsten Taoïsme - Boeddhisme:
1) Onpersoonlijk hoogste principe in de dingen. Vgl. Leegte en universele
Boeddha-natuur.
2) In extatische mystieke ervaring het Zelf verliezen. Vgl. illusie van een 'ego'.
3) leer zonder woorden; verwerping van het intellect.
Samenvatting verschillen van het Mahayana-Boeddhisme met het Taoïsme:
1) Voorliefde voor paradox.
2) Op aardse werkelijkheid gericht. Waarheid is in alledaagse banale handelingen
aanwezig.
3) Anti-culturele tendens. Verwerping boekenwijsheid, pleidooi voor terugkeer naar
een onbewuste, primitieve oerstaat.
2. Het Boeddhisme in China
Handicaps boeddhisme in China: van de wereld gerichte heilsleer, verbreken
familiebanden en celibatair leven; vreemde terminologie, kloosterleven etc. Dit
asociale en autonome aspect van het boeddhisme zou gedurende de geschiedenis ervan
herhaald tot anti-clericale acties leiden, en uiteindelijk ook tot de ondergang van
het boeddhisme in China. Midden 1e eeuw n.C. drong boeddhisme Noord China binnen,
maar werd waarschijnlijk vooral gedragen door vreemdelingen. Al vroeg vertalingen van
Indische teksten, vooral van de traditionele Dhyana-technieken.
Vanaf 311 China verdeeld in Noord- en Zuid-rijk. Noorden
geteisterd door kortstondige barbaren-dynastieën, Zuiden geregeerd door zwakke
chinese keizershuizen. Slecht klimaat voor Confucianisme. Taoïsme bloeide op, en
boeddhisme verspreidde zich onder alle bevolkingslagen. Gaf houvast in onzekere
tijden, en bood door karma-theorie verklaring daarvoor. In Noorden boeddhisme (ook
materiëel) door vorsten gestimuleerd, als tegenhanger tegen Confucianisme in het
Zuiden, en omdat als magisch hulpmiddel werd gezien. Nadeel: cesaropapisme. Hier
grote vertaalactiviteit (e.g. Kumarajiva).
Zuiden was ideologisch productiever. De wetenschappelijke en
aristocratische elite dweepte met het Neo-taoïsme, speculeerde in een sfeer van
verfijnde retoriek en nietsdoen over de Leer zonder Woorden, de relatie tussen zijn
en niet-zijn, etc. In dit milieu vond nu het Mahayana boeddhisme aansluiting, o.a.
met zijn leer van de Leegte. Boeddhistische monniken vertaalden dit in Taoïstische
termen. Hier ontstond o.i.v. de leer van de Leegte ook de leer van de Plotselinge
Verlichting. Het Nirvana ligt in alles klaar om in een plotselinge schouw gezien te
worden, en vereist niet eerst een lang proces van zuivering van begeertes en
verwerving van inzicht in karmische relaties. Versterkt werd de leer van de
ploselinge verlichting nog door het sinds de 5e eeuw bestudeerde
Maha-paranirvana-sutra (de Boeddha-natuur is immanent in alle wezens), en door de
iets later ingevoerde Yogacara-leer (deze natuur is te realiseren door introspectie
in en zuivering van het bezoedelde bewustzijn).
5e eeuw en 6e eeuw waren de gouden eeuw van het boeddhisme in
China. Er ontstonden vele scholen. Devotioneel: aanroeping van de Boeddha Amitabha
(Puur Land-secte), of van de Bodhisattva Avalokitesvara of Kuan-yin. Eschatologisch:
einde van de Leer zien, en alle heil verwachten van de komst van de Boeddha Maitreya.
Of: een sutra als hoogste tekst zien, en alle andere teksten daaronder groeperen.
Voorbeeld: T'ien-t'ai-secte: Lotus-sutra is hoogste bron van waarheid. Er
ontstond in al deze scholen een ware stortvloed van scholastieke en leerstellige
teksten. Zen is ten dele een reactie tégen deze overdaad.
3. Zen - oorsprong en
ontwikkeling
Als georganiseerde beweging is Zen niet ouder dan de 7e eeuw. Legendes over
vroegste tijd zijn onbetrouwbaar, maar geven waarschijnlijk toch aan dat het begon in
de 6e eeuw in het Noorden, en dat het in het laatste kwart van die eeuw afzakte naar
het Zuiden (4e eeuw en 5e eeuw patriarch). Hier reeds typische trekken van Zen:
spartaanse eenvoud, zware arbeid, nachtelijke meditatie., verwerping schriftlezing,
behalve Lankavatara-sutra. Midden 7e eeuw scheiding tussen Noordelijke
(traditionalistisch en quietistisch) en Zuidelijke School (plotselinge verlichting).
In Zuiden vanaf 8e eeuw scheiding in Rinzai en Soto.
Zengemeenschappen onderscheidden zich organisatorisch van de
andere doordat ze streng hiërarchisch en klein waren. Boeddhistische kloosters
werden in vroege T'ang-tijd (7e eeuw en 8e eeuw) zeer groot en rijk, waren van
belastingsbetaling en arbeidsdiensten vrijgesteld. Dit kon de staat niet meer dragen,
vooral omdat men toch al economisch uitgehold werd door opstanden en oorlogen =>
845 massaal anti-clericale acties. Maar Zen had rond 800 door meester Po-chang een
eigen kloosterregel, die het onafhankelijk maakte van de andere boeddhistische sectes,
en kon daardoor overleven.
Zen heeft zeer veel ontleend aan de 'Boeddho-Taoïstische'
traditie, maar is uniek in de concrete middelen die het gebruikt om het heil te laten
bereiken: vrije improvisaties, koans, stokslagen, etc. Toch was men ook goed bekend
met de boeddhistische teksten! Zürcher: koans zijn af en toe erg gekunsteld, en
humbug! Er ontstond een uitgebreide koan-literatuur => paradox van de Leer zonder
Woorden. Koan als werktuig tegen de achtergrond zien van zware geestelijke
voorbereiding, gespannen heilsverwachting, fysieke uitputting. Zen-literatuur vaak
geschreven in volkse en groffe taal; kunnen wij het effect daarvan in onze tijd
eigenlijk nog wel aanvoelen?
Paradox: streven naar heil, terwijl de wereld reeds verlost
is. Samsara ís Nirvana. Daarom in Zen ook steeds weer de middelen tot verwerving van
het heil gerelativeerd en het heiligste bespot. Gevoel voor paradox nog sterker door
Taoïstische achtergrond, waarin het ideaal van de 'bizarre heilige' gold.
4. Zen en het
ontstaan van een nieuwe filosofie
Confucianisme is moeilijk te karakteriseren: zedenleer (kindertrouw,
broederliefde, trouw aan vorst, altruïsme), godsdienst (vooroudercultus, sacrale
functie van keizer), staatkundige leer, staatsideologie. China van 1368-1912: 'Confuciaanse
Staat'. Zen kon zich i.t.t. de andere boeddhistische scholen in deze tijd handhaven
in de schaduw, want werd als minder bijgelovig, nuchterder en minder a-sociaal dan de
anderen gezien.
Het Neo-Confucianisme dateert uit 11e eeuw en 12e eeuw. Tijd
van grote sociale en politieke verschuivingen. Bloei van handel en geldeconomie,
opkomst steden, grotere cultuurspreiding (boekdrukkunst), macht van aristocratische
families overgenomen door kleinere grondbezitters en notabelen. Neo Confucianisme via
staatsexamens geïntroduceerd. Positie boeddhisme ondermijnd door algemene
secularisatie en door feodale karakter van de kloosters. Neo Confucianisme voorzag
zich van metafysica, ontologische en kosmologische theorieën, elementen van
persoonlijke heilsleer, en praktijken en voorstellingen die dicht in de buurt van
meditatie. en verlichting komen. Men nam deze niet rechtstreeks uit boeddhisme (en m.n.
Zen, dat in 12e eeuw meest vitaal was) over, maar ontleende termen aan Confuciaanse
klassieken, en gaf die door boeddhisme beïnvloede ruimere en diepere inhoud. Bijna
alle grote Neo Confuciaanse denkers hielden zich intensief met boeddhisme bezig, dat
zij overigens verworpen als nihilistisch, egoïstisch en asociaal. Zij waren tegen de
verwerping van de wereld t.g.v. een nihilistisch vacuüm, maar opteerden voor
ordening van de wereld in overeenstemming met de kosmische Orde. Neo Confucianisme in
12e eeuw samengevat en gesystematiseerd door Chu Hsi (1130-1200).
Oudste Confucianisme kende geen metafysica. Rond 500 ontstaan;
vanaf 2e eeuw en 1e eeuw v.C. officiële staatsideologie en verrijkt met
kosmologische speculaties over Yin en Yang. Het Neo Confucianisme nam ideeën over
die zich vanaf 3e eeuw n.C. in het wijsgerige Boeddho-Taoïsme ontwikkeld hadden
, en pasten die toe op hun interpretatie van de I-ching, een orakelboek dat de
wereld als een samenspel van talloze cyclische processen zag, geïnitiëerd door de
wisselwerking van yin en yang. Voor de nieuwe metafysica werd aangeknoopt bij één
korte en cryptische passage daaruit, waarin gezinspeeld wordt op een hoogste
principe, het T'ai-chi, waaruit yin en yang zouden zijn voortgekomen.
Beslissende stap: de Neo Confucianisten maakten dit kosmologisch principe tot
een metafysisch substraat, dat permanent ín de wereld der verschijnselen
gerealiseerd blijft, en passen hierop het 'substantie en functie'-schema toe. Er
bestonden hierbij twee scholen, de 'rationalistische' van Chu Hsi, en de 'idealistische'
van Wang Yang-min.
Chu Hsi onderscheidde tussen het domein van het materiele (ch'i)
en de daarin immanente Principes ('li': patroon, norm, regel, beginsel), welke
een manifestatie zijn van het T'ai-chi. De idealistische school verwierp dit
dualistische onderscheid en legde de nadruk op de fundamentele eenheid van alles,
bezield door een universele geest die identiek is met de menselijke geest. Invloed
boeddhisme: zie overeenkomst T'ai-chi en Leegte, Boeddha-natuur of Zo-heid; term
'li' ook al in 4e eeuw in Boeddho-Taoistische geschriften op identieke wijze
gebruikt; overeenkomst ch'i en de vijf skandha's. Kritiek Chu Hsi: metafysisch
substraat is geen vacuüm, want de werkelijkheid is vol van de archetypes (li) van de
dingen.
Oude Confucianisme legde nadruk op veredeling van de
menselijke persoonlijkheid door zelfkritiek en morele 'studie'. Het ideaal was de
'edele': de volmaakte gemeenschapsmens. Speculaties over wezen van de mens
(Natuur van de mens is spontaan goed) pas voor het eerst bij Mencius (ong.500 v.C.),
maar toen door andere Confucianen verworpen. Pas weer opgenomen door Neo
Confucianisme.
Chu Hsi: álle Principes (li) in latente
vorm in alle wezens aanwezig, maar vanwege vertroebeling door de materie (ch'i) in
hun manifestatie gehinderd of geblokkeerd. Totaliteit van li in de mens is zijn
Natuur (hsing), en deze is wezenlijk goed, maar tegelijkertijd onkenbaar en slechts
tastbaar in actualisering op het niveau van het materiële, in goede daden. Het
kwaad, dat zich vooral uit in begeerte, passie en egoïsme, is dus een externe
factor, materiëel van aard. Twee heilswegen, waarlangs terugkeer naar de Natuur: 'zelfonderzoek'
(fan-shen) en 'onderzoek der entiteiten' (ko-wu). Zelfonderzoek is een
introspectieve beschouwing van de in ons aanwezige pure principes; onderzoek der
entiteiten is het onderzoek van de morele Principes die aan alle wezens en dingen ten
grondslag liggen. Beide wegen zijn moreel gericht, hebben samen een van passies etc.
gelouterde 'Heilige' ten doel. Zijn fysieke aspect (ch'i) is zo transparent
geworden dat zijn volmaakte Natuur erdoorheen schijnt zonder vertroebeling.
Idealistische School meest door boeddhisme beïnvloed. Hier
menselijke 'geest' (hsin: 'hart', 'innerlijk') basis van de heilsleer.
Door introspectie en meditatie intuïtieve kennis van de eenheid van de kosmos, die
niet rationeel te vatten is. Ook onderzoek der entiteiten is hier een innerlijk
proces, als een onderzoek van de dingen des geestes.
Eindconclusie: ondanks grote invloed heeft boeddhisme
fundamentele sociale en politieke gerichtheid van Confucianisme niet kunnen
veranderen. Ook de 'Heilige' is uiteindelijk slechts de verlichte
organisator/heerser, die door zijn inzicht in de kosmische Orde en door de zuiverheid
van zijn eigen Natuur de wereld tot rust en regelmaat brengt.
5. Zen en de Chinese kunst
Boeddhisme drukte op vele takken van de chinese kunst zijn stempel. Vooral grote
invloed op literatuur. Deze was niet geschreven in het 'klassieke' chinees van de
elite, maar in een volkse 'vulgaire' stijl. De maatschappelijke elite beschouwde
alleen de door haar voortgebrachte kunstvormen (kalligrafie, bepaalde genres van
schilderkunst etc.) als 'kunst'; al het andere was nauwelijks de moeite waard. De
kalligrafie heeft de techniek van de schilderkunst beïnvloed; 1snelle,
'spontane' penseelvoering (nodig omdat men met niet te corrigeren oostindische
inkt werkte) en 2virtuoos gebruik van het lege vlak, leidden als vanzelf
tot een andere fundamentele eigenschap: 3vereenvoudiging en concentratie,
liever suggestie dan uitbeelding. Materiëel en techniek van deze kunst bepaalden dus
de aard ervan!, maar anderzijds was deze aard zeer geschikt om haar tot voertuig voor
de ideeën van het boeddhisme en Taoïsme te maken. Vgl. het Taoïstische spontane
zich laten gaan, zalig onbewust existeren en opgaan in totaliteit van natuurgebeuren
met spontane penseelvoering; Boeddho-Taoïstische Leegte met het gebruik van lege
vlakken in kalligrafie en schilderkunst. Paradox: ook al verwierp de elite deze van
Taoïsme doortrokken kunst, toch beoefende zij haar in haar vrije tijd, als uitlaatklep
ter kortdurende ontsnapping aan de rigide regeling van het gedrag door de
Confuciaanse ideologie! Men schiep zich daarin een ideale wereld, waarin persoonlijke
dromen, verlangens en emoties wel een plaats hadden. De vraag in welke mate Zen de
chinese kunst, en m.n. kalligrafie en schilderkunst, beïnvloed heeft, is een
verkeerd gestelde vraag! Zen is nl. zelf een produkt van de Boeddho-Taoïstische
traditie in het chinese denken, was bezield door dezelfde geest, en maakte daarom
moeiteloos gebruik van bestaande methodes en principes. Het enige nieuwe was
misschien, dat men, gezien het 'extremistische' karakter van Zen, deze methodes
en principes tot het uiterste doortrok. Zen gaf dus niet, zoals het uit India en
Centraal-Azië ingevoerde boeddhisme, aanleiding tot ontstaan van geheel nieuwe
genres en technieken (e.g. beelden en gebouwen). Zenmonniken zagen de schilderkunst
als mogelijkheid tot expressie van hun verlichting. Maar ook al is deze inspiratie
belangrijk, het effect van 'Zen'-schilderijen is toch voornamelijk afhankelijk
van een adembenemend technisch meesterschap.
6. Zen en de Chinese letterkunde
In het chinees is er geen term voor ons woord 'literatuur', alhoewel men toch
een onafzienbare reeks boeken heeft geproduceerd. Men kende wel een indeling in vier
catergorieën daarvan, maar zeer belangrijke genres als toneelliteratuur, kort
verhaal en roman vielen daar buiten! Alle vormen van populaire letterkunde, die de
Confuciaanse literaten in het geheim ook zelf produceerden, werden veroordeeld als
zedenbedervend, lichtzinnig, armzalig qua idioom etc. Ook de boeddhistische teksten
behoorden tot deze marginale rand-'literatuur'. De officiële literatuur
(waaronder ook bureaucrat documenten vielen!) bleef in hoge mate immuun voor vreemde
invloeden. Heeft Zen zich ook, net zoals de andere boeddhistische scholen, op het
terrein van de marginale letterkunde bewogen? Ja en nee. De meest karakteristieke 'Zen-literatuur',
het genre van de Yü-lu ('opgetekende gezegden' van Zenmeesters, met commentaar
erbij; vroegste bewaard gebleven voorbeelden niet ouder dan 8e eeuw), behoren zeker
tot de randliteratuur en waren geschreven in opzettelijk vulgaire taal. Anderzijds
heeft Zen een stimulerende werking uitgeoefend op de door de ontwikkelde laag
gemonopoliseerde letterkunde, m.n. op het gebied van de dichtkunst, zonder dat er een
echte 'Zen-poëzie' is ontstaan. In nog hogere mate dan de schilderkunst was de
poëzie een uitlaatklep voor de ontwikkelde bovenlaag. Gedichten die als 'Zen-poëzie'
gelden maken doorgaans gebruik van volstrekt traditionele vormen en beelden. De
Taoïstische inspiratie is zeer sterk en sluit goed aan bij de mystieke
natuurpoëzie, die als genre reeds bloeide voordat Zen ontstond. Voorbeeld: een
boeddhistische meditatie-hal die geassociëerd wordt met een Taoïstische kluizenarij.
Vooral in 11e eeuw en 12e eeuw ontstaan er ook de verzamelingen van koan uit
verschillende tijden. De chinese boeddhistische canon, waarin alleen de belangrijkste
werken zijn opgenomen, bevat ruim veertig werken met in totaal meer dan 350 boeken.
Drie eigenschappen karakteriseren deze massa van werken:
1) Gebruik van spreektaal. Het oudere boeddhisme in China had
de volkstaal gebruikt t.b.v. popularisatie, betere verstaanbaarheid. De Yü-lu
daarentegen gebruikten deze taal om te schokken, en waren in het geheel niet
gemakkelijk verstaanbaar.
2) Afwisseling van proza en poëzie. Deze letterkundige vorm
door boeddhisme vanuit India naar China overgebracht. De elitaire literaten wezen
deze vorm af. Een andere innovatie was het gebruik van het rijmloze vers. Latere Zen-"gatha's"
zouden o.i.v. de klassieke chinese poëzie de rijmvorm weer introduceren en ook veel
geconcentreerder zijn dan de uitvoerig verhalende teksten van het vroege boeddhisme.
3) Invloed van klassieke poëzie, en de daarmee gepaard gaande
esthetiserende tendens in de latere Zen-literatuur, waardoor de oorspronkelijke geest
verloren gaat en Zen nog slechts een tijdverdrijf wordt.
II. Korea (F.V.)
1. De geschiedenis van Zen in
Korea
Eind 4e eeuw boeddhisme vanuit China in Korea geïntroduceerd. Van 660
tot 770 eerste bloeitijd van boeddhisme in K., nadat land tot eenheid gebracht was.
In deze periode werd hier ook de Avatamsaka-secte geïntroduceerd, evenals
Zen. Blijkbaar sloeg Zen goed aan, want begin 10e eeuw waren er vele Zenmeesters met
zeer talrijke leerlingen. Het boeddhisme was intussen de officiële staatsgodsdienst
geworden. De klooster moesten soms door de staat beteugeld worden, omdat zij zich met
de politiek bemoeiden. Velen werden monnik om zich te kunnen onttrekken aan militaire
en arbeidsdienst en aan de zware belastingsdruk. In 14e eeuw ook Lin chi-secte in K.
geïntroduceerd. Politieke ontaarding van boeddhisme (vele kloosters hadden eigen
legertjes) leidde ertoe dat na 1400 het boeddhisme onderdrukt werd en het
Confucianisme de staatsleer werd. Hoewel het boeddhisme hierdoor vrijwel al zijn
macht verloor, bleef het invloed uitoefenen op de koreaanse geest. Tegenwoordig is
ong eenvijfde van de bevolking aanhanger van het boeddhisme.
2. Zen in de Koreaanse
literatuur en kunst
Evenals in Japan moet in K. onderscheid gemaakt worden tussen Zen-gedichten als
zodanig (thema's uit Zen), en gedichten waarvan de wijze van weergave door Zen
beïnvloed is. Vooral in die laatste categorie is er verwantschap met de landschappen
in Zen-schilderijen: slechts het essentiële wordt weergegeven. F.V. merkt
op dat er o.i.v. de schilderkunst van de chinese Sung en Yüan-dynastieën in K. een
typische 'Zen-schilderkunst' opkwam, gekenmerkt door Oostindische inkt en
uiterste beperking in weergave; voorts zegt hij nog (p.100) dat de "voor Zen zo
kenmerkende 'kalligrafische' technieken niet alleen door Zen-priesters, maar ook
door Confuciaanse geleerden werden toegepast."7
III. Japan (F.V.)
1. De geschiedenis van Zen in
Japan
Boeddhisme begon zich na 552 in Japan te verspreiden. Aanvankelijk was er verzet
van de zijde van een paar clans, die de status quo wilden handhaven en vreesden voor
het verlies van het inheemse Shinto. Uiteindelijk won de clan die voor introductie
van het boeddhisme was. Eind 6e eeuw werd het boeddhisme officiëel door de keizer
bevorderd. Letterlijk betekent Shinto 'de weg der kami'. Kami betekent zoiets als
'goden', of 'iets wat een hogere en ongewone macht belichaamt'. Ook 'weg'
is in dit verband een breed begrip: mythen, leringen, verering etc zijn hierbij
inbegrepen. Natuur en voorouderverering spelen een belangrijke rol in Shinto; meestal
is de natuurgod(in) tevens de voorouder van de clan. Shinto dekt vele begrippen: 1)
de oorspronkelijke godsdienst van voor de intrede van het boeddhisme; 2) de 13
officiëel erkende Shinto-sectes; 3) het volksgeloof; 4) het moderne Staats-Shinto,
dat tot 1945 bestond.
De eerste bloeitijd van het boeddhisme in Japan viel in de
Nara-tijd (710-784). In de Heian-tijd (794-1192), wanneer de hoofdstad van Nara naar
Kyoto (oude naam Heian) overgebracht is deels om aan de politieke invloed van het
boeddhistische priesterdom te ontkomen kent het boeddhisme een aanvankelijke
inzinking, om daarna nog meer op te bloeien. In deze tijd werden de T'ient'ai-school
(jap Tendai) en Shingon-school (tantrisch boeddhisme; letterlijk mantra-secte) in
Japan geïntroduceerd. Zeer belangrijk: eind 9e eeuw vanwege onrust in China
betrekkingen daarmee verbroken, zodat japans boeddhisme zich tijdlang onafhankelijk
ontwikkelde. Verklaring succes boeddhisme in Japan: verbonden met toenmalige hogere
vastelandsbeschaving en bezit van een ethica en metafysica. Het Shinto wordt in
Shingon steeds meer in boeddhisme geïncorporeerd: gemengde rituelen, en kami als
manifestaties van Boeddha's. In deze tijd nog geen sprake van Zen, alhoewel er een
paar pogingen tot introductie gedaan werden door chinese monniken. Men kende wel
meditatie (Dhyana), maar deze was slechts één der drie wegen (naast discipline {Sila}
en cultivatie van wijsheid {Prajna}), en bestond uit het volmaakt opgaan van de
gedachten in één object ( <->Zen: leeg worden).
In Kamakura-tijd (1192-1333) Zen gevestigd. Achtergrond: in
Kyoto hield men vast aan de verfijnde maar decadente cultuur van de voorbije periode;
in Kamakura ontwikkelde zich een frisse, martiale cultuur, waarin er ruimte was voor
iets nieuws. Directheid en praktisch karakter van Zen appelleerden sterk aan de geest
van de Samurai. Eisai stichtte de eerste Zen (Rinzai)-secte. +: vanaf 1205 traden de
Hojo als eerste ministers en feitelijke regenten voor de shogun op. Een zeer groot
man was Dogen. Drie aspecten: 1hij wees uiterlijk vertoon af (had abt
kunnen worden van het Kenninji); 2verzette zich tegen de tendentie van het
toenmalige boeddhisme zich te ontwikkelen tot een wetenschap. Gebruik van taal en
woorden is nutteloos; 3verzette zich tegen religieus materialisme dat zich
in de voorgaande periode had ontwikkeld (afsmeking van allerlei gunsten van
goddelijke machten). Hij leefde in een tijd waarin men zich bezig hield met
eschatologische speculaties (men zou leven in de tijd van 'de Ondergang van de Wet'
=> Puur Land-secte: roep Boeddha aan om hulp), maar vond dat dat in het ware Mahayana
geen rol kon spelen. Hij hechtte een zeer groot belang aan oefening (shugyo;
tegenover studie en discussies). Het hele dagelijkse leven is oefening <->
neiging toenmalig boeddhisme leven van alledag te verachten als hindernis voor
Verlossing. I.t.t. zijn tijdgenoten richtte hij zich in de eerste plaats op de
opleiding van geestelijken, omdat die de leer immers verder zouden kunnen
verspreiden. +: in tweede helft 13e eeuw kwamen vele chin monniken naar Japan,
vanwege Mongolendreiging.
Daito Kokushi (14e eeuw) deed de echte Rinzai-traditie in
Japan zegevieren. Muromachi-tijd (nu weer één politiek en cultureel centrum) was de
bloeiperiode van Zen. Grootste meester uit deze tijd: Ikkyu Sojun (1394-1481).
Gosan-systeem (al in Kamakura-tijd begonnen) speelde belangrijke rol in politieke en
culturele leven. Monniken hiervan importeerden veel chin literatuur, en bestudeerden
ook het Confucianisme, waardoor zij de grondslag legden voor de latere verheffing
hiervan tot Staatsideologie in de Edo-tijd. Er ontstond zo een zekere binding tussen
Zen en Confucianisme.
In Edo-tijd zou het dan ook gedaan zijn met de suprematie van
het boeddhisme. +: in de eerste helft 19e eeuw waren er honderden jonge geleerden in
Japan die de westerse wetenschappen bestudeerden => basis voor latere snelle
ontwikkeling van Japan. Voorbeeld: Takuan Soho, abt van het Daitokuji van de
Rinzai-secte, gebruikte het Neo Confucianisme om zijn theorieën over Zen te
ondersteunen. De cultuur verburgerlijkte, waardoor door Zen beïnvloede vormen van
kunst zich onder het gewone volk begonnen te verspreiden. Eind 19e eeuw werd
boeddhisme tijdlang aan vervolgingen blootgesteld, maar kwam hier gelouterd uit.
Regering hield hiermee op omdat zij besefte, dat idealen van onaantastbaarheid van de
dynastie en van 'kosmisch' geconditioneerde eenheid van vorst, land en volk beter
gepropageerd konden worden door op moderne leest geschoeid onderwijs, dan door
instellen van Staatsgodsdienst. In 1882 werd daarom wettelijk onderscheid gemaakt
tussen Staats-Shinto en religieus Shinto. Gevolg: ook christenen en bisten moesten in
Japan Staats-Shintoïsten zijn, om niet in conflict te komen met hun verplichtingen
als onderdaan. Dit hield in dat men de goddelijke afstamming van de keizer erkende!
=> gespleten situatie. Ondanks kunstmatige bevordering van ethnocentrische Shinto
wist boeddhisme zich te handhaven, omdat het in de 1500 jaar van haar geschiedenis in
Japan een geïntegreerd onderdeel van die cultuur was geworden. +: Soto-secte
gebruikte studie van sutra's en andere boeddhistische geschriften als hulpmiddel
bij meditatie.
2. Zen en bushido
Bushido betekent ong.'Weg der Samurai', of 'principes van de krijgsman'.
Samurai is afgeleid van werkwoord 'samurau', dat bewaken of dienen betekent.
Bushido ontwikkelde zich in feodale tijdperk (12e eeuw tot midden 19e eeuw). Draait
rond morele verplichtingen voortvloeiend uit relatie tussen heer en vazallen. In ruil
voor bescherming door heer waren Samurai bereid zichzelf op te offeren. Loyaliteit
hoog aangeschreven. Eervolle dood werd hoger gewaardeerd dan militaire overwinning.
Overwinning of verlies werden trouwens toch veroorzaakt door karma. In verschillende
periodes van jap geschiedenis had begrip Bushido steeds andere inhoud. In Edo-tijd
waren Samurai de hoogste maatschappelijke klasse (ook de vrije beroepen vielen
hieronder) en waren een soort gesalariëerd personeel geworden, i.t.t. vroegere
familiaire bindingen. De militaire Weg (Budo) wordt nu de Weg van de 'gentleman'
(Shido). Wetenschap en bestudering van de chin klassieken werden nu hoog aangeslagen.
Men was vaak voor een balans tussen literaire en militaire vaardigheden.
Invloed Confucianisme en Zen op Bushido? Alhoewel
Confucianisme omstreeks 500 nader bekend in Japan, stond het wat betreft invloed op
het geestelijke leven aanvankelijk ver achter bij boeddhisme. Gaf echter filosofische
verdieping en rechtvaardiging van bep jap idealen en instellingen. Bushido dankt aan
Confucianisme zijn ethiek, aan Zen zijn doodsverachting, strijdmethodes en sporten.
Invloed Zen: 'fudoshin' (het hart van niet-bewegen), onverschilligheid voor
vreugde of smart, onwankelbaarheid in gevaren of nood; kalme afzijdigheid bij intens
handelen. Men kan geestelijk dood zijn wanneer men in schande leeft => zelfmoord
als zuiverste oplossing bij conflict tussen levenslot en plicht. Gevaar van deze
beïnvloeding door Zen (nietsontziende moed, zelfopoffering, uitschakeling logisch
verstand): niet alleen egoïstische, maar ook altruïstische gevoelens worden
verlamd. Daarom was de Confuciaanse ethiek als aanvulling hard nodig. Idealen Samurai:
eenvoud, bescheidenheid, sterven in bloei van leven (vergelijkbaar met kersebloesem).
Er bestonden twee vormen van Harakiri/Seppuku: vrijwillig of als opgelegde straf.
Achtergrond: buik is zetel van de ziel; door buik open te snijden toont men
symbolisch dat ziel onbevlekt is.
Invloed Confucianisme: in feodale China ontwikkelde
Confucianisme is in wezen een leer van ongelijkheid. Lag in China nadruk op
kinderlijke piëteit t.o.v. ouders, in Japan werd accent verlegd naar loyaliteit t.o.v.
heer. Dit hield in vrij van zelfzucht zich inzetten voor een ander. Ook al heeft het
een andere betekenis, het sluit wel goed aan bij de 'ik-loosheid' (muga) van Zen.
Men onderscheidde in Confucianisme de 'vijf menselijke betrekkingen'
(vorst/onderdaan, vader/zoon, oudere/jongere broeder, man en vrouw, vriend en vriend;
in Bushido overheersen de eerste twee) en de 'vijf constante deugden'
(naastenzin, rechtvaardigheid, étiquette, wijsheid, trouw). Deze ethiek door Bushido
overgenomen. In Meiji-tijdperk, na 1876, bestonden er in feite geen Samurai meer.
Maar door accentverschuiving in het begrip 'loyaliteit' werden er Shinto-ideeën
in opgenomen. Gevolg: welhaast religieuze verering voor keizerhuis en vaderland, en
bereidheid daarvoor leven op te offeren (zie WO II). De oude feodale Bushido-idealen
worden zo een ideaal voor het hele volk.
3. Zen en de Japanse kunst
Zen nam in Japan veel belangrijker plaats in dan in China => kunst van Japan in
hogere mate 'Zen-bepaald', en invloed Zen strekt zich over groter aantal gebieden
van de kunst uit. Zen heeft de bijzondere band van de japanners met de natuur, die
door Shinto reeds gevestigd was, veranderd. Men moest die natuur voelen, observeren
en ermee sympathiseren, doch haar niet analyseren. Streven op te gaan in de 'scheppende
harmonie' der natuur => fu'in: 'harmonie met de wind'. Zen-schilderijen:
door reductie wezen van de natuur weergeven. Zen-schilderijen van Sung en
Yüan-dynastieën tegen einde Kamakura-tijd door Zenmonniken geïntroduceerd in
Japan, waar ze grote waardering vonden bij de adel en krijgslieden.
De tuinen bij de huisjes voor de theeceremonie vallen op door
een combinatie van uiterste soberheid met verfijnde élégance, een combinatie die
als 'wabi' bekend staat. Het wordt wel vertaald als 'eenzaamheid', of 'quiet
taste'. Maar een betere vertaling zou wellicht zijn: 'liefde en begrip voor het
onvolkomene', of 'het doorgronden van het onvolkomene'. Wanneer men zich niet
beklaagt over het onvolmaakte, of het onvoltooide niet veroordeelt, is men zichzelf
genoeg. Ook het normale japanse woonhuis wordt o.i.v. Zen gekenmerkt door eenvoud en
openheid. Als de omstandigheden het toelaten bouwt men het zo dat het in harmonie met
de omringende natuur staat, of legt er een mooie tuin bij aan.
4. De wegen van
de thee, de bloemen en de wierook
Boeddhistische monniken brachten uit China in 729 voor het eerst thee mee naar
Japan, maar pas in het begin van de 9e eeuw werd de theecultuur op bescheiden schaal
beoefend. In 1191 bracht Eisai bij zijn terugkeer uit China nieuwe soorten thee mee,
en schreef een boek over het kweken van theeplanten, de bereiding van groene
poederthee en de waarde van het theedrinken. Aanvankelijk werd de thee vooral als
geneesmiddel gebruikt, terwijl monniken haar dronken om bij de meditatie-oefeningen
wakker te blijven. Met de ontwikkeling van Zen begon het theedrinken steeds meer in
zwang te komen. Ca. 1330 hield men wedstrijden in theeproeven. Dit waren uitbundige
feesten. Pas vanaf eind 15e eeuw begon zich onder de stimulans van shogun Yoshimasa
(1444-1490) het latere theeritueel te ontwikkelen. De monnik Shuko (1423-1502)
schreef een boek over de 'theeweg' (chado), waarin hij deze aanprees als een
middel tot het bereiken van Satori. In de 'Periode der Strijdende Provincies'
(1490-1600) was de ceremonie voor de krijgslieden een ideaal middel om tot rust en
bezinning te komen, en tevens had zij zich een onontbeerlijke functie in het sociale
verkeer verworven. Dit was de tijd van de beroemdste theemeester, Sen no Rikyu
(1521-1591; eigenlijke naam Tanaka So'eki), op wie alle huidige scholen teruggaan.
Volgens hem kon men in de theeceremonie de kracht van wabi ervaren, die in het
simpele ligt; de vier belangrijkste doeleinden van de ceremonie waren: harmonie,
respect, reinheid en rust, noodzakelijk voor Ontwaking. De Weg van de Thee brengt de
geest in evenwicht en bevrijdt haar van de storende invloeden van het leven van
alledag.
De Weg van de Bloemen (kado) ontwikkelde zich samen met die
van de Thee. Beiden ontwikkelden zich aanvankelijk in kloosters en tempels. Beiden
hadden zij hun bloei en hoogtepunt in de Muromachi-tijd, een tijd van bloedige
oorlogen, en werden zij toen vooral beoefend door de krijgsadel! Pas midden 17e eeuw
maakt het bloemenschikken zich los van de theeceremonie, om in de volgende eeuw zich
ook onder het gewone volk te verspreiden. Een goede bloemenschikking drukt symbolisch
de harmonie van de kosmos uit, het evenwicht van Hemel (Yang) en Aarde (Yin), met de
mens als middelaar daartussen. De weg van de wierook kwam ook pas tot ontplooiing met
de introductie van Zen in Japan, alhoewel er in de Heian-tijd reeds wedstrijden in
het definiëren van wierookgeuren bestonden.
5. Zen in de Japanse letterkunde
In japanse gedichten over de natuur 'mono no aware' uitgedrukt: een
heimwee-achtig gevoel (aware) dat men aan de dingen, objecten (mono) beleeft. Het
hart is dan in harmonie met de dingen zoals ze zijn, en beleeft daarin de ideale
wereld. Het kan zowel met gevoelens van vreugde, als met een vage droefenis verbonden
zijn. O.i.v. Zen begint naast, en tijdelijk zelfs boven mono no aware, een nieuwe
factor van belang te worden in de literatuur-esthetica: 'yugen'. Dit begrip gaat
een grote rol spelen in het No-theater dat vanaf de 14e eeuw opkwam, en is ontleend
aan de Boeddho-Taoïstische literatuur. Het is een combinatie van twee chin
karakters, 'duister' (=> geheimzinnig, subtiel) en 'donker'; de combinatie
ervan duidt op een slechts ten dele onthulde of aangeduide schoonheid, terwijl we ook
hier de connotatie van droefenis vinden. Het staat voor 'diepte' en 'hint',
tegenover datgene wat aan de oppervlakte ligt. In jap letterkunde invloed van Zen
vooral te vinden in de haiku, die tegen begin 16e eeuw opkwamen, doch pas in Edo-tijd
zich ten volle ontplooiden. Deze poëzie is voor ons moeilijk in al zijn nuances aan
te voelen, en tevens zijn er grote verschillen tussen de gedichten uit China, Korea
en Japan. In de eerste twee speelt de beschrijving van een landschap een grote rol,
terwijl in Japan de aanduiding van het subjectieve gevoel dat dat oproept, de
hoofdrol speelt. Haiku willen een momentane ervaring op suggestieve wijze aan de
lezer overbrengen, zodat er een volmaakte geestelijke aanraking tussen hem en de
dichter ontstaat. Een haiku kán gebruikt worden als een soort koan, maar de
kwaliteit van haiku's staat meestal niet op een voldoende hoog niveau! Een beroemd
haiku-dichter, die door Zen-ervaringen beïnvloed was, was Matsuo Basho
(1644-1694). Hij streefde in zijn gedichten naar het ontdekken van de
onveranderlijkheid der eeuwigheid in de tijdelijke veranderingen.
6. Zen en modern Japan
De aanhangers der drie Zen-sectes tellen in totaal zo'n 4 1/2 miljoen, hetgeen
nog geen twintigste deel der totale bevolking is. Het lijkt er dus op alsof de
invloed van Zen in Japan gezien deze getallen niet veel kan voorstellen, maar de
invloed van Zen staat buiten alle verhouding tot het aantal van haar aanhangers. FV
stelt zelfs dat leven en gedragingen van alle japanners door Zen beïnvloed
zijn. Japans cultuurpatroon: e.g. groepssolidariteit, onderworpenheid aan gezag,
verplichtingen boven persoonlijk geluk stellen, angst het 'gezicht' te verliezen.
Oorzaken o.a.: langdurig feodale regime, Confuciaanse ethiek, economische
omstandigheden, boeddhistische opvatting over onbestendigheid van het leven. Weinig
mensen in Japan leven intens vanuit Zen, maar bij beoefenen van theeceremonie, bep.
sporten of bloemenschikken komt men vanzelf in aanraking met Zen, misschien zonder
het te beseffen. De kunst is in geen ander land ter wereld in zo'n grote mate
volksbezit geworden als in Japan. Schoonheid in het streng eenvoudige is een
volkseigenschap geworden, zich uitend in de waardering voor bepaalde kunstvormen en
tot in de omgangsvormen toe. Ook hebben japanners door de invloed van Zen minder
angst voor het sterven dan westerlingen, wat voor 1200 zeker nog niet het geval was.
Zen bracht een 'detached attitude to life', die ook de omgang met bezit
beïnvloedde: men kan gemakkelijker afstand doen, wat niet betekent dat men
onverschillig is. Doordat de jap literatuur sinds de Meiji-restauratie sterk door het
westen is beïnvloed, vindt men daarin weinig van Zen terug, behalve misschien in de
haiku.
IV. Zen en Wang Yang-min (F.V.)
Wang Yang-min (1472-1529) leefde drie eeuwen later dan Chu Hsi. Wang Yang-min had
voorlopers in de gebroeders Lu (12e eeuw), die de 'School van de Geest'
vertegenwoordigden en tegenover Chu Hsi bleken te staan. De beroemdste van deze twee
broers, Lu Hsiang shan, legde in tegenstelling tot het objectief onderzoek der
entiteiten (ko wu) de nadruk op intuïtie en meditatie. Hij knoopte aan bij bep.
uitspraken van Mencius (4e eeuw v.C.); de lijn van Mencius naar Lu liep via Li Ao (+
844) en Ch'eng Hao (1032-1085). Li Ao spreekt over een verlichting die men kan
bereiken door 'een meditatie, waarbij men de gedachten uitschakelt'. Ch'eng Hao
postuleerde een metafysische eenheid van alle entiteiten en leerde, dat de mens door
geestelijke oefening en zelf-ontwikkeling op grond van het beginsel van naastenzin
tot het inzicht daarvan kan komen. Chu Hsi meende dat men door onderzoek
(literair-historisch) van de afzonderlijke dingen tot het begrip van het abstracte
'oerbeginsel' (li) moest komen. Volgens Lu Hsiang shan was dit ondoenlijk; daar
de diverse li der dingen in feite één zijn en de eigen geest één is met het grote
li, is het de taak van de onderzoeker de eigen geest te doorgronden. De schijnbare
werkelijkheid van de wereld buiten ons is slechts een product van onze geest. De
fundamentele tegenstelling tussen deze twee scholen binnen het Confucianisme is dus
die van dualisme-monisme. Hoewel Wang Yang-min het begrip hsing (geest) een
metafysische inhoud gaf, lag daarop bij hem niet de nadruk. Net als alle andere chin
denkers is hij uiteindelijk ethisch gericht; de metafysiek ondersteunt die. Elke mens
heeft een aangeboren intuïtieve kennis (liang-chih), die hem in staat stelt de li te
kennen. Men moet hiernaar terugkeren. Hoewel Wang Yang-min de inherente goedheid van
de menselijke natuur vooropstelt een goedheid die door emoties verduisterd kan worden
, is er volgens hem geen absoluut onderscheid tussen goed en kwaad. Hierin is hij
waarschijnlijk beïnvloed door Zen. Goed en kwaad zijn enkel te kwalificeren vanuit
de samenhang waarin of doelstelling waarmee iets gezien wordt. De liangchih is
empirisch gezien goed, transcendentaal gezien goed noch slecht. Wang Yang-min
verafschuwde nutteloze boekenwijsheid of gefilosofeer; doel van alle kennis moet het
(sociale) handelen zijn, gericht op verbetering van de samenleving. De hoogste
Waarheid kan men via introspectie (fan shen) in de eigen geest leren kennen. Wang
Yang-min maakt niet zoals Chu Hsi een streng dualistische onderscheid tussen li en ch'i
(het materiële). Beiden zijn afhankelijk van elkaar, zijn slechts twee zijden van
dezelfde munt en in wezen één. Voorts hanteert Wang Yang-min deze 'opposities'
slechts wanneer hij in discussie met Chu Hsi is. Wang Yang-min kende een soort meditatie
oefening: het 'rustig zitten' ter bevrijding van de geest van de zorgen van
alledag en van egoïstische begeerten, maar nadrukkelijk ontkende hij dat dit
hetzelfde zou zijn als Zazen. Zen streeft naar lediging/uitschakeling van de
gedachten, Wang Yang-min naar de beteugeling van de geest. Ook het zoeken naar de
Waarheid in jezelf, niet buiten, is een overeenkomst met Zen. De Lu Wang-School heeft
voor japanners altijd grote aantrekkingskracht gehad, ook al werd zij soms als
staatsgevaarlijk gezien vanwege haar nadruk op het individuele, en is tot op de dag
van vandaag blijven voortbestaan, terwijl ze in China zelf uitstierf (weer een
parallel met Zen).
V. Zen en het Westen (F.V.)
Pas in 19e eeuw krijgt boeddhisme voor westen reële betekenis, m.n. door opkomst
van Sanskrit-studiën. Een paar grote geleerden waren belangrijk voor de
popularisering ervan. Tegen het einde van deze eeuw begon het boeddhisme als een 'rationalistische
godsdienst zonder God' in brede kringen de aandacht te trekken. M.n. de theosofie
heeft hierin ook een belangrijke rol gespeeld. Men zag hierin een aan het christendom
superieure heilsleer. De grote belangstelling ervoor kan uit de toenemende
ontkerkelijking verklaard worden en uit een dweepziek verlangen naar 'oosterse
wijsheid'. Het boeddhisme werd in Europa tot aan WO II vrijwel uitsluitend in zijn
Hinayana-vorm bestudeerd en beleden. In Amerika daarentegen bestond reeds veel eerder
veel belangstelling voor het Mahayana, mede doordat daar talrijke japanse boeddhisten
woonden. Reeds voor deze oorlog waren daar de Shin en Zen-sectes het belangrijkst.
Belangstelling voor Zen in westen pas betrekkelijk laat.
Eerste boek erover verscheen in 1913, pas in '25 en '27 gevolgd door andere. In
Europa pas in jaren onmiddelijk na WO II werkelijke belangstelling voor Zen. In
Amerika werd het in deze tijd een echte rage. Oorzaken: door bezetting van Japan
kwamen veel jonge Amerikanen ermee in aanraking; Zen bleek/scheen een antwoord te
geven op vele problemen die er bij de naoorlogse 'rebellen' leefden in hun verzet
tegen de idealen en conventies der eigen cultuur; een dwepen met het onbekende of
nieuwe. Ander punt: overeenkomsten in taalgebruik tussen Zen en westerse mystici.
Amerikaanse en Europese psychologen en psychiaters hebben in toenemende mate
belangstelling voor de therapeutische kanten van Zen. Fromm: verlichting is een
toestand waarin de mens volledig is 'ingetuned' op de werkelijkheid binnen en
buiten hemzelf, die volkomen doorgrondt en zich daarvan bewust is. Satori is de ware
vervulling van de toestand van welzijn (Achtergrond: Freud). Volgens Jung gaat het
bij satori om een geestelijk feit, waarvan helemaal niet hoeft vast te staan of het
ook werkelijk zo is; hoofdzaak is dat men er zelf van overtuigd is. Volgens Fromm is
dit een uiting van Jungs algemene relativistische houding t.o.v. de 'waarheid'
van de religieuze ervaring.
In de literatuur had Zen invloed via de Beat-generation.
Volgens deze mensen waren verleden en toekomst van geen enkele betekenis, evenals de
daarmee verbonden normen, waarden en conventies. Alleen de brave burgerman (square)
houdt hieraan vast. In Zen sprak hen aan: de directheid, het 'heiligschennende'
ervan, ontbreken moraliserende voorschriften, het individualistische en
anti-materialistische, de verbondenheid met de natuur. Verbanden Zen-jazz:
improvisatie en uitschakeling van het controlerende intellect; muziek vanuit het
onbewuste.
Eindevaluatie: Zen heeft ons niets te zeggen en alles te
zeggen. Enerzijds zijn de verschillen in culturele omgeving en geestelijk erfgoed te
groot. Voorbeeld: persoonlijke meester-leerling-verhouding, zoals in Zen
gebruikelijk, is hier op praktische gronden onmogelijk. En als westerlingen zullen we
(vrijwel) nooit in staat zijn, zelfs niet bij dronkenschap, ons rationele bewustzijn
uit te schakelen. Anderzijds zou het 'Zen-denken' ons kunnen helpen veel van ons
eigen geestelijk erfgoed te herontdekken. Voorbeeld: middeleeuwse mystici, onze
literatuur, muziek en kunst. Hierdoor misschien herontdekking en herwaardering van
ons eigen wezen mogelijk. En studie van Zen leidt tot beter begrip van het Verre
Oosten, en is daarom alleen al de moeite waard.
VI. Vertaling van enkele
zen-teksten
- p.250-1: over de verschillende versies van het verlichtingsvers van Hui-neng.
- Wu-men over 'mu': men mag het niet als een 'leeg-er-niet-zijn of
niet-hebben' opvatten, noch als in tegenstelling tot 'zijn/hebben'.
- Interessante tekst: de Ts'ai-ken-t'an (japans: Saikontan), door Hung Tze-ch'eng
(1573-1620). Letterlijke betekenis: 'knolgewas-uitspraken'; figuurlijke betekenis
ong. 'uitspraken over het simpele leven', d.w.z. het leven dat niet naar excessen
zoekt, maar in het gewone de ware smaak van alles proeft. Hierin ideeën van
Confucianisme, Taoïsme en boeddhisme tot eenheid gebracht, maar invloed Zen
overheerst. O.a. door F.V. hier ook vermelding van het handelen 'zonder bewegen':
d.w.z. zonder gepreoccupeerd te zijn.
Noten
1. Groot verschil: taoïstisch: extatische overgave aan transformatie aller dingen <-> boeddhistisch: heil zoeken in het ene, eeuwige en onveranderlijke.
2. Deze drie kenmerken zullen later het meest karakteristiek chinese element van Zen uitmaken.
3. Dit i.t.t. de traditionele Mahayana-heilige, die zich bewust was dat hij als een denkbeeldige redder in een denkbeeldige wereld leefde, en deed alsof hij fantomen uit gedroomde gevaren redde. Gezien deze situatie mag ieder heilsmiddel, hoe grof ook, worden aangewend, omdat het op het niveau van de Leegte toch niet bestaat. De heilsmiddelen werden dus niet direct gerelativeerd, slechts indirect.
4. Er ligt een metafysisch substraat (Leegte, Zo heid, de Weg etc) aan de fenomenale werkelijkheid ten grondslag; metafysisch substraat en fenomenale werkelijkheid vormen twee aspecten van één werkelijkheid, rust en eenheid doorheen activiteit en diversiteit. Deze verhouding uitgedrukt in termen t'i (substantie) en yung (functie), welke formule op vele terreinen werd toegepast (e.g. doctrinair, Boeddhologisch en sociaal {de wijze is innerlijk stil en immuun voor wereldse invloeden, maar kan toch actief handelend in de wereld optreden}).
5. Japan had intensieve betrekkingen met Korea en kwam daardoor al vroeg in aanraking met boeddhisme, maar pas nà 552 n.C. begon dit werkelijk zijn vruchten af te werpen.
6. Deze secte berust op het Avatamsaka-sutra (chin. hua-yen, jap. kegon: letterlijk 'bloemenkrans'), dat de essentie van Boeddha's leer zou uitmaken. Deze school bestond niet in India, ontstond pas in 7e in China. In alle levende en levenloze wezens is, ongeacht hun geestelijke ontwikkeling, de Boeddha-natuur latent aanwezig. Ieder object is niet enkel zichzelf, maar sluit ook elk ander object in en is er in feite identiek mee (identiteit en wederzijdse doordringing). Al deze wezens worden gemanifesteerd door ideeënvorming, komen uit één en dezelfde bron en zijn daarom zelfloos. Maken van onderscheid is een dwaling. Doel van de heilsweg is samenvloeiing tussen subject en object, zonder gedachte of gevoel. De subjectieve en de objectieve ideeën stemmen dan overeen. In China zou Fa yen Wen i (885-958) de Avatamsaka-leer definitief in Zen verwerken.
7. Bestaan er wel echte Zen-schilderingen? Vgl de opmerkingen daarover in het hoofdstuk over Zen in China!
8 Merkwaardig: FV zegt op p.147 dat Josetsu (ca. 1370-ca. 1440) de eerste grote meester der suiboku ga (schilderende Zenmonniken?) was, terwijl hij op p.149 zegt dat de suiboku ga eerst in het begin van de 18e in Japan werden ingevoerd, een gebeurtenis welke samenviel met de opkomst van het Confucianisme in Japan. Deze vorm van kunst werd toen populair onder de geleerden/ambtenaren.
© Alex
Pot (alex.pot@spiritualiteit.net)
Deze pagina het laatst ververst op:
vrijdag 8 oktober 2004

|